BWBR0004150
Geldig vanaf 1987-05-29
Artikel 11
Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A
1. Indien de concentratie aan stikstofdioxiden in de rookgassen wordt bepaald aan de hand van een uitworpkarakteristiek als bedoeld in artikel 38, derde lid, onder b, van het besluit, moet de stookinstallatie op zodanige wijze worden gebruikt dat de uitworpkarakteristiek daarop van toepassing is.
2. De uitworpkarakteristiek dient opnieuw te worden bepaald indien er wijzigingen aan de stookinstallaties worden aangebracht die de bestaande uitworpkarakteristiek kunnen beïnvloeden.
3. Bij het vaststellen van de uitworpkarakteristiek dient de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen te worden gemeten volgens de norm NEN 2044.
4. In afwijking van het derde lid mag de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen ook worden gemeten volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode, indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en tenminste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
5. Bij toepassing van artikel 38, derde lid, onder b, van het besluitop een gasturbine of gasturbine-installatie dient tevens de geïnjecteerde hoeveelheid inert materiaal continu te worden bepaald.
6. Continue meting van een parameter als bedoeld in artikel 38, derde lid, onder b, van het besluitdient te worden uitgevoerd volgens een methode in overeenstemming van de algemeen aanvaarde meetpraktijk.
2. De uitworpkarakteristiek dient opnieuw te worden bepaald indien er wijzigingen aan de stookinstallaties worden aangebracht die de bestaande uitworpkarakteristiek kunnen beïnvloeden.
3. Bij het vaststellen van de uitworpkarakteristiek dient de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen te worden gemeten volgens de norm NEN 2044.
4. In afwijking van het derde lid mag de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen ook worden gemeten volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode, indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en tenminste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
5. Bij toepassing van artikel 38, derde lid, onder b, van het besluitop een gasturbine of gasturbine-installatie dient tevens de geïnjecteerde hoeveelheid inert materiaal continu te worden bepaald.
6. Continue meting van een parameter als bedoeld in artikel 38, derde lid, onder b, van het besluitdient te worden uitgevoerd volgens een methode in overeenstemming van de algemeen aanvaarde meetpraktijk.