BWBR0004149
Geldig vanaf 2000-06-21
Artikel 46
Mediawet
1. Indien de Programmastichting, een omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling die een erkenning of een voorlopige erkenning heeft verkregen, niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens deze wet of <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/5:20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht</a>voor haar gelden, kan het Commissariaat voor de Media de aan de desbetreffende instelling ter beschikking gestelde zendtijd voor een periode van ten hoogste twaalf weken intrekken.
2. In geval van zendtijdintrekking als bedoeld in het eerste lid wordt de zendtijd die krachtens artikel 39, eerste tot en met derde lid, onderscheidenlijk artikel 39a, eerste lid, in het jaar waarin de intrekking plaatsvindt aan de desbetreffende instelling ter beschikking is gesteld, van rechtswege evenredig verminderd.
3. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is ingetrokken, is artikel 39, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 39a, tweede lid, niet van toepassing.
4. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is ingetrokken, bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid.
2. In geval van zendtijdintrekking als bedoeld in het eerste lid wordt de zendtijd die krachtens artikel 39, eerste tot en met derde lid, onderscheidenlijk artikel 39a, eerste lid, in het jaar waarin de intrekking plaatsvindt aan de desbetreffende instelling ter beschikking is gesteld, van rechtswege evenredig verminderd.
3. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is ingetrokken, is artikel 39, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 39a, tweede lid, niet van toepassing.
4. Gedurende de periode waarvoor de zendtijd op grond van het eerste lid is ingetrokken, bestaat geen recht op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid.