BWBR0004149
Geldig vanaf 2000-06-21
Artikel 103
Mediawet
1. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid, onderdeel a, genomen besluit, vast welke bedragen voor het volgende kalenderjaar ter beschikking worden gesteld aan de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen, ten behoeve van de verzorging van hun televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, met dien verstande dat:
a. de Programmastichting en de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel a, elk hetzelfde bedrag ontvangen;
b. de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel b, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftig procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a; en
c. de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftien procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a.
2. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid, onderdelen d en e, genomen besluit, vast welk bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, die is toegewezen en gebruikt, voor het volgende kalenderjaar ter beschikking wordt gesteld aan de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen, en aan de overheid ten behoeve van overheidsvoorlichting.
3. Het bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, bedoeld in het tweede lid, kan verschillend zijn per categorie instellingen.
a. de Programmastichting en de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel a, elk hetzelfde bedrag ontvangen;
b. de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel b, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftig procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a; en
c. de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftien procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a.
2. De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid, onderdelen d en e, genomen besluit, vast welk bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, die is toegewezen en gebruikt, voor het volgende kalenderjaar ter beschikking wordt gesteld aan de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen, en aan de overheid ten behoeve van overheidsvoorlichting.
3. Het bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, bedoeld in het tweede lid, kan verschillend zijn per categorie instellingen.