BWBR0004149
Geldig vanaf 2000-06-21
Artikel 30b
Mediawet
1. Ten behoeve van de concessieverlening doet de Stichting een concessiebeleidsplan voor de landelijke omroep toekomen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze Minister.
2. In het concessiebeleidsplan is in elk geval opgenomen:
a. de wijze waarop met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet gedurende de concessieperiode door de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep gezamenlijk en individueel invulling wordt gegeven aan de taakopdracht van de landelijke omroep, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen die betrekking hebben op het programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke omroep;
b. een overzicht van de daartoe naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en
c. de wijze van samenwerking met de Wereldomroep.
3. Gedurende de concessieperiode doet de Stichting voor het verstrijken van een periode van vijf jaren een tussentijds concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaren toekomen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het tussentijds concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze Minister.
4. Het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan worden door de raad van bestuur opgesteld na overleg met de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en voorzover het de samenwerking met de Wereldomroep betreft, de Wereldomroep.
5. Over het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan vraagt Onze Minister advies aan de Raad voor cultuur.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het tijdstip waarop het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan moeten worden ingediend.
7. Mede op basis van het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan worden de doelstellingen met betrekking tot het programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke omroep vastgelegd in een prestatieovereenkomst tussen Onze Minister en de Stichting. De duur van de prestatieovereenkomst is gelijk aan de periode waarvoor de erkenningen en voorlopige erkenningen, bedoeld in de artikelen 31en 37, zijn verleend.
8. De prestatieovereenkomst regelt voorts de maatregelen bij niet naleving van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen en bevat een procedure die voorziet in tussentijdse wijziging indien veranderde inzichten of omstandigheden dat gewenst maken.
9. De in het zevende lid bedoelde prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van programma's of programmaonderdelen.
2. In het concessiebeleidsplan is in elk geval opgenomen:
a. de wijze waarop met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet gedurende de concessieperiode door de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep gezamenlijk en individueel invulling wordt gegeven aan de taakopdracht van de landelijke omroep, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen die betrekking hebben op het programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke omroep;
b. een overzicht van de daartoe naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en
c. de wijze van samenwerking met de Wereldomroep.
3. Gedurende de concessieperiode doet de Stichting voor het verstrijken van een periode van vijf jaren een tussentijds concessiebeleidsplan voor de komende vijf jaren toekomen aan het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat zendt het tussentijds concessiebeleidsplan met zijn opmerkingen binnen acht weken aan Onze Minister.
4. Het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan worden door de raad van bestuur opgesteld na overleg met de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en voorzover het de samenwerking met de Wereldomroep betreft, de Wereldomroep.
5. Over het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan vraagt Onze Minister advies aan de Raad voor cultuur.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het tijdstip waarop het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan moeten worden ingediend.
7. Mede op basis van het concessiebeleidsplan en het tussentijds concessiebeleidsplan worden de doelstellingen met betrekking tot het programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke omroep vastgelegd in een prestatieovereenkomst tussen Onze Minister en de Stichting. De duur van de prestatieovereenkomst is gelijk aan de periode waarvoor de erkenningen en voorlopige erkenningen, bedoeld in de artikelen 31en 37, zijn verleend.
8. De prestatieovereenkomst regelt voorts de maatregelen bij niet naleving van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen en bevat een procedure die voorziet in tussentijdse wijziging indien veranderde inzichten of omstandigheden dat gewenst maken.
9. De in het zevende lid bedoelde prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van programma's of programmaonderdelen.