BWBR0004149
Geldig vanaf 2000-06-21
Artikel 21
Mediawet
1. Onverminderd artikel 48, zijn de volgende besluiten van de raad van bestuur bindend voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, voor zover deze besluiten hen aangaan:
a. de besluiten omtrent het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
b. de besluiten omtrent de bekostiging van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
c. de besluiten omtrent vaststelling van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f;
d. de besluiten omtrent de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
e. de besluiten omtrent vaststelling van een nadere regeling als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel h;
f. de besluiten omtrent de toepassing van artikel 22;
g. de besluiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 40, vijfde en zevende lid, 50, negende lid, 51, tweede lid, 54, zevende lid, en 54a, vierde lid, voor zover niet reeds vallend onder de besluiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met e.
2. De raad van bestuur ziet erop toe dat de besluiten, bedoeld in het eerste lid, worden nageleefd.
a. de besluiten omtrent het indelen van de zendtijd van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
b. de besluiten omtrent de bekostiging van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
c. de besluiten omtrent vaststelling van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f;
d. de besluiten omtrent de coördinatie, op en tussen de verschillende programmanetten, van de programma-onderdelen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep;
e. de besluiten omtrent vaststelling van een nadere regeling als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel h;
f. de besluiten omtrent de toepassing van artikel 22;
g. de besluiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 40, vijfde en zevende lid, 50, negende lid, 51, tweede lid, 54, zevende lid, en 54a, vierde lid, voor zover niet reeds vallend onder de besluiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met e.
2. De raad van bestuur ziet erop toe dat de besluiten, bedoeld in het eerste lid, worden nageleefd.