BWBR0003846
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 25
Besluit nadere regelen betreffende de stemming Landinrichtingswet
1. De stemgerechtigde begeeft zich na ontvangst van het gewaarmerkte stembiljet onverwijld naar een niet in gebruik zijnd stemhokje en stemt aldaar door met potlood rood te maken een in een zwart stemvak geplaatste witte stip, en wel hetzij die geplaatst bij de aanduiding "voor", hetzij die geplaatst bij de aanduiding "tegen".
2. Daarna vouwt hij het stembiljet dicht op zodanige wijze, dat niet zichtbaar is hoe hij zijn stem heeft uitgebracht, en begeeft zich daarmede onmiddellijk naar het stembureau.
3. Het derde lid van het stembureau overtuigt zich, zonder het stembiljet in handen te nemen, dat dit het stempel draagt, en doet de stemgerechtigde het stembiljet in de stembus steken. Hij houdt aantekening van het aantal in de stembus gestoken stembiljetten.
2. Daarna vouwt hij het stembiljet dicht op zodanige wijze, dat niet zichtbaar is hoe hij zijn stem heeft uitgebracht, en begeeft zich daarmede onmiddellijk naar het stembureau.
3. Het derde lid van het stembureau overtuigt zich, zonder het stembiljet in handen te nemen, dat dit het stempel draagt, en doet de stemgerechtigde het stembiljet in de stembus steken. Hij houdt aantekening van het aantal in de stembus gestoken stembiljetten.