BWBR0003284
Geldig vanaf 1980-01-01
Artikel 9
Besluit experiment flexibel uittreden PTT-personeel
1. Het recht op uitkering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, eindigt met ingang van de dag, waarop de deelnemer de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2. Het recht op uitkering, bedoeld in artikel 2, derde lid, eindigt, indien de deelnemer ter zake van ontslag uit de ingevolge artikel 2, derde lidgedeeltelijk voortgezette betrekking recht verkrijgt op uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, dan wel op invaliditeitspensioen of ouderdomspensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, en wel met ingang van de dag, waarop die uitkering, onderscheidenlijk het pensioen ingaat.
3. Het recht op uitkering, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, eindigt, indien de deelnemer ter zake van ontslag uit de ingevolge artikel 2, vijfde lidgedeeltelijk voortgezette betrekking recht verkrijgt op ouderdomspensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, met ingang van de dag, waarop het pensioen ingaat.
4. Het recht op uitkering eindigt voorts met ingang van de dag volgende op die, waarop de deelnemer is overleden.
5. Het recht op uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard, indien de belanghebbende onderscheidenlijk de deelnemer de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt.
2. Het recht op uitkering, bedoeld in artikel 2, derde lid, eindigt, indien de deelnemer ter zake van ontslag uit de ingevolge artikel 2, derde lidgedeeltelijk voortgezette betrekking recht verkrijgt op uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, dan wel op invaliditeitspensioen of ouderdomspensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, en wel met ingang van de dag, waarop die uitkering, onderscheidenlijk het pensioen ingaat.
3. Het recht op uitkering, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, eindigt, indien de deelnemer ter zake van ontslag uit de ingevolge artikel 2, vijfde lidgedeeltelijk voortgezette betrekking recht verkrijgt op ouderdomspensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, met ingang van de dag, waarop het pensioen ingaat.
4. Het recht op uitkering eindigt voorts met ingang van de dag volgende op die, waarop de deelnemer is overleden.
5. Het recht op uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard, indien de belanghebbende onderscheidenlijk de deelnemer de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt.