BWBR0003284
Geldig vanaf 1980-01-01
Artikel 12
Besluit experiment flexibel uittreden PTT-personeel
1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de deelnemer wordt door de Directeur-Generaal aan de weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de laatstelijk genoten wedde over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de kinderbijslag voor het eerste en tweede kind, die de belanghebbende ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet( Stb.1962, nr. 160) op de dag van het overlijden genoot. Wordt op de uitkering een vermindering toegepast krachtens artikel 7of 8 dan is het bedrag, dat ingevolge de voorafgaande volzin wordt toegekend, gelijk aan het bedrag van de uitkering, dat de deelnemer op de dag van overlijden ontving, over een tijdvak van drie maanden. Bij het overlijden in de periode van opschorting van de uitkering krachtens artikel 10bestaat geen aanspraak op de toekenning van een bedrag als bedoeld in dit artikel.
2. Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de toekenning van het bedrag als bedoeld in het eerste lid ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de toekenning van het bedrag als bedoeld in het eerste lid, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3. Op het bedrag in het eerste of tweede lid wordt in mindering gebracht dat deel van het bedrag waarop de nagelaten betrekkingen van de overledene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken:
a. krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid en onvrijwillige werkloosheid;
b. krachtens artikel 42, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, onderscheidenlijk artikel 32c, achtste lid van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, indien op de dag van het overlijden artikel 11, eerste lid, van toepassing is.
4. Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daar bedoelde bedrag door de Directeur-Generaal geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene door de betaling van die kosten ontoereikend is.
2. Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de toekenning van het bedrag als bedoeld in het eerste lid ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.
Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de toekenning van het bedrag als bedoeld in het eerste lid, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.
3. Op het bedrag in het eerste of tweede lid wordt in mindering gebracht dat deel van het bedrag waarop de nagelaten betrekkingen van de overledene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken:
a. krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid en onvrijwillige werkloosheid;
b. krachtens artikel 42, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, onderscheidenlijk artikel 32c, achtste lid van het Arbeidsovereenkomstenbesluit, indien op de dag van het overlijden artikel 11, eerste lid, van toepassing is.
4. Indien de overledene geen betrekkingen, als bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daar bedoelde bedrag door de Directeur-Generaal geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene door de betaling van die kosten ontoereikend is.