BWBR0003284
Geldig vanaf 1980-01-01
Artikel 3
Besluit experiment flexibel uittreden PTT-personeel
1. De uitkering, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt behoudens het bepaalde in het tweede lid de som van:
a. het bedrag van het ouderdomspensioen waarop de deelnemer krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet uit hoofde van het ontslag recht zou hebben, indien hij op de datum van ingang van het ontslag de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, welk bedrag wordt verminderd met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk J, paragraaf 2, van die wet;
b. het bedrag van het algemeen pensioen waarvan is uitgegaan voor de toepassing van hoofdstuk J, paragraaf 2, van de Algemene burgerlijke pensioenwet ingevolge a.
2. Indien de echtgenoot of echtgenote van de deelnemer recht heeft op algemeen pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswetdan wel op een uitkering als in dit artikel bedoeld bedraagt de uitkering het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder a.
3. Indien een pensioen van de echtgenoot of de echtgenote van de deelnemer uit hoofde van zijn of haar recht op algemeen pensioen krachtens de Algemene Ouderdomsweteen vermindering ondergaat, wordt het bedrag van die vermindering met overeenkomstige toepassing van artikel J 15, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet voor zover mogelijk in mindering gebracht op het bedrag gelijk aan het inbouwbedrag, bedoeld in het eerste lid onder a, en wordt dat bedrag voor zover mogelijk zo nodig verder verminderd in dier voege, dat de som van dat verminderde bedrag en de vorenbedoelde vermindering van het pensioen 80 % van het algemeen pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswetniet overschrijdt.
4. Artikel A 8 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de krachtens dat artikel gegeven algemene maatregelen van bestuur zijn ten aanzien van de in dit artikel bedoelde uitkering van toepassing.
5. De gegevens die de Directeur-Generaal nodig acht voor de vaststelling van de uitkering dienen door of namens de belanghebbende onderscheidenlijk de deelnemer te worden verstrekt.
a. het bedrag van het ouderdomspensioen waarop de deelnemer krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet uit hoofde van het ontslag recht zou hebben, indien hij op de datum van ingang van het ontslag de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, welk bedrag wordt verminderd met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk J, paragraaf 2, van die wet;
b. het bedrag van het algemeen pensioen waarvan is uitgegaan voor de toepassing van hoofdstuk J, paragraaf 2, van de Algemene burgerlijke pensioenwet ingevolge a.
2. Indien de echtgenoot of echtgenote van de deelnemer recht heeft op algemeen pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswetdan wel op een uitkering als in dit artikel bedoeld bedraagt de uitkering het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder a.
3. Indien een pensioen van de echtgenoot of de echtgenote van de deelnemer uit hoofde van zijn of haar recht op algemeen pensioen krachtens de Algemene Ouderdomsweteen vermindering ondergaat, wordt het bedrag van die vermindering met overeenkomstige toepassing van artikel J 15, eerste tot en met vierde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet voor zover mogelijk in mindering gebracht op het bedrag gelijk aan het inbouwbedrag, bedoeld in het eerste lid onder a, en wordt dat bedrag voor zover mogelijk zo nodig verder verminderd in dier voege, dat de som van dat verminderde bedrag en de vorenbedoelde vermindering van het pensioen 80 % van het algemeen pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswetniet overschrijdt.
4. Artikel A 8 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de krachtens dat artikel gegeven algemene maatregelen van bestuur zijn ten aanzien van de in dit artikel bedoelde uitkering van toepassing.
5. De gegevens die de Directeur-Generaal nodig acht voor de vaststelling van de uitkering dienen door of namens de belanghebbende onderscheidenlijk de deelnemer te worden verstrekt.