BWBR0003284
Geldig vanaf 1980-01-01
Artikel 2
Besluit experiment flexibel uittreden PTT-personeel
1. Het bevoegd gezag verleent behoudens artikel 94, derde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement( Stb.1931, 248), aan de belanghebbende, die tenminste de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt en die vóór het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zijn dienstverband op grond van dit besluit wenst te beëindigen, op diens schriftelijk verzoek eervol ontslag, met recht op een door de Directeur-Generaal toe te kennen uitkering ingevolge artikel 3, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.
2. Dit ontslag gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de vierde maand, volgende op die, waarin het bevoegd gezag het verzoek om ontslag heeft ontvangen, met dien verstande dat het bevoegd gezag deze termijn zo nodig met ten hoogste drie maanden kan verlengen en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de belanghebbende wordt rekening gehouden.
3. Het bevoegd gezag kan aan de belanghebbende, die tenminste de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, op diens schriftelijk verzoek toestemming verlenen op grond van dit besluit zijn dienstverband voor gemiddeld twintig uren per week voort te zetten, met recht op een door de Directeur-Generaal toe te kennen uitkering ingevolge artikel 4met ingang van de dag waarop de werktijd van belanghebbende is verminderd. Dit verzoek moet zijn ingediend zes maanden voor de dag waarop de belanghebbende de vermindering van werktijd wenst te laten ingaan.
4. De vorige leden zijn niet van toepassing:
a. indien het bevoegd gezag aanleiding vindt belanghebbende te onderwerpen aan een onderzoek ingevolge artikel 36, derde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement onderscheidenlijk artikel 31a, derde lid van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354);
b. indien het bevoegd gezag naar aanleiding van de uitslag van het onderzoek als bedoeld onder (a) aanleiding vindt de belanghebbende te doen onderwerpen aan een keuring als bedoeld in hoofdstuk P van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6);
c. indien het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft verklaard, dat de belanghebbende uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen;
d. indien de belanghebbende een functie bekleedt, voor de vervulling waarvan een leeftijdsgrens is vastgesteld als bedoeld in artikel 97, eerste lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
5. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in artikel 1 van het Koninklijk besluit van 13 september 1945 ( Stb.F 173) aan de belanghebbende, die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, op diens schriftelijk verzoek, dat zes maanden voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar moet zijn ingediend, toestemming verlenen zijn dienstverband voort te zetten:
a. hetzij voor zijn gehele werktijd;
b. hetzij voor twintig uren per week met recht op een door de Directeur-Generaal toe te kennen uitkering ingevolge artikel 4 met ingang van de dag waarop de werktijd van belanghebbende is verminderd,
met dien verstande dat het bevoegd gezag telkens na een halfjaar beoordeelt of dit dienstverband kan worden voortgezet.
6. Het dienstverband kan krachtens het vorige lid niet langer worden voortgezet dan tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin de belanghebbende onderscheidenlijk de deelnemer de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt.
7. Een verzoek als bedoeld in
a. het eerste lid dient uiterlijk voor 1 oktober 1982 door het bevoegd gezag te zijn ontvangen;
b. het derde en vijfde lid dient uiterlijk voor 1 juli 1982 door het bevoegd gezag te zijn ontvangen,
met dien verstande dat het ontslag onderscheidenlijk het (gedeeltelijk) voortzetten van het dienstverband op grond van dit besluit niet later kan plaatsvinden onderscheidenlijk niet later kan aanvangen dan met ingang van 1 januari 1983.
2. Dit ontslag gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de vierde maand, volgende op die, waarin het bevoegd gezag het verzoek om ontslag heeft ontvangen, met dien verstande dat het bevoegd gezag deze termijn zo nodig met ten hoogste drie maanden kan verlengen en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de belanghebbende wordt rekening gehouden.
3. Het bevoegd gezag kan aan de belanghebbende, die tenminste de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, op diens schriftelijk verzoek toestemming verlenen op grond van dit besluit zijn dienstverband voor gemiddeld twintig uren per week voort te zetten, met recht op een door de Directeur-Generaal toe te kennen uitkering ingevolge artikel 4met ingang van de dag waarop de werktijd van belanghebbende is verminderd. Dit verzoek moet zijn ingediend zes maanden voor de dag waarop de belanghebbende de vermindering van werktijd wenst te laten ingaan.
4. De vorige leden zijn niet van toepassing:
a. indien het bevoegd gezag aanleiding vindt belanghebbende te onderwerpen aan een onderzoek ingevolge artikel 36, derde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement onderscheidenlijk artikel 31a, derde lid van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354);
b. indien het bevoegd gezag naar aanleiding van de uitslag van het onderzoek als bedoeld onder (a) aanleiding vindt de belanghebbende te doen onderwerpen aan een keuring als bedoeld in hoofdstuk P van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1966, 6);
c. indien het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft verklaard, dat de belanghebbende uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is zijn betrekking te vervullen;
d. indien de belanghebbende een functie bekleedt, voor de vervulling waarvan een leeftijdsgrens is vastgesteld als bedoeld in artikel 97, eerste lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
5. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in artikel 1 van het Koninklijk besluit van 13 september 1945 ( Stb.F 173) aan de belanghebbende, die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, op diens schriftelijk verzoek, dat zes maanden voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar moet zijn ingediend, toestemming verlenen zijn dienstverband voort te zetten:
a. hetzij voor zijn gehele werktijd;
b. hetzij voor twintig uren per week met recht op een door de Directeur-Generaal toe te kennen uitkering ingevolge artikel 4 met ingang van de dag waarop de werktijd van belanghebbende is verminderd,
met dien verstande dat het bevoegd gezag telkens na een halfjaar beoordeelt of dit dienstverband kan worden voortgezet.
6. Het dienstverband kan krachtens het vorige lid niet langer worden voortgezet dan tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin de belanghebbende onderscheidenlijk de deelnemer de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt.
7. Een verzoek als bedoeld in
a. het eerste lid dient uiterlijk voor 1 oktober 1982 door het bevoegd gezag te zijn ontvangen;
b. het derde en vijfde lid dient uiterlijk voor 1 juli 1982 door het bevoegd gezag te zijn ontvangen,
met dien verstande dat het ontslag onderscheidenlijk het (gedeeltelijk) voortzetten van het dienstverband op grond van dit besluit niet later kan plaatsvinden onderscheidenlijk niet later kan aanvangen dan met ingang van 1 januari 1983.