BWBR0003075
Geldig vanaf 2001-05-30
Artikel 27
Comptabiliteitswet
1. Onze ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarover hij het beheer voert, verrichten namens de Staat de privaatrechtelijke rechtshandelingen die uit het te voeren beheer voortvloeien, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een van Onze andere ministers de rechtshandeling verricht.
2. Onze Minister van Financiën is belast met het privaatrechtelijke beheer ten aanzien van roerende en onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover dat beheer niet bij of krachtens de wet aan een of meer van Onze andere ministers is opgedragen.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen de privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover die voortvloeien uit het door Onze Minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 16, tweede lid, te voeren beheer over de begroting van de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning, worden verricht door de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal, door de vice-president van de Raad van State, door de president van de Algemene Rekenkamer, door de Nationale ombudsman, door de kanselier van de Kanselarij der Nederlandse Orden en door de directeur van het Kabinet van de Koning, ieder met betrekking tot het betrokken onderdeel van die begroting, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een van Onze ministers de rechtshandeling verricht.
4. Privaatrechtelijke rechtshandelingen kunnen namens Onze ministers dan wel namens degenen genoemd in het derde lid, worden verricht, indien zij daartoe een algemene of bijzondere volmacht hebben verleend.
2. Onze Minister van Financiën is belast met het privaatrechtelijke beheer ten aanzien van roerende en onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover dat beheer niet bij of krachtens de wet aan een of meer van Onze andere ministers is opgedragen.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen de privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover die voortvloeien uit het door Onze Minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 16, tweede lid, te voeren beheer over de begroting van de hoge colleges van staat en het Kabinet van de Koning, worden verricht door de voorzitters van de beide Kamers der Staten-Generaal, door de vice-president van de Raad van State, door de president van de Algemene Rekenkamer, door de Nationale ombudsman, door de kanselier van de Kanselarij der Nederlandse Orden en door de directeur van het Kabinet van de Koning, ieder met betrekking tot het betrokken onderdeel van die begroting, tenzij bij of krachtens de wet is bepaald dat een van Onze ministers de rechtshandeling verricht.
4. Privaatrechtelijke rechtshandelingen kunnen namens Onze ministers dan wel namens degenen genoemd in het derde lid, worden verricht, indien zij daartoe een algemene of bijzondere volmacht hebben verleend.