BWBR0003075
Geldig vanaf 2001-05-30
Artikel 4
Comptabiliteitswet
1. Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.
2. De begrotingen bevatten de ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten, voor zover de daarmee gemoeide gelden niet toebehoren aan derden. De ramingen van de verplichtingen en van de uitgaven hebben het karakter van een maximum.
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin, bevatten de begrotingen geen ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten die op grond van het bepaalde in artikel 23, tweede lid, buiten het begrotingsverband (zullen) worden gehouden.
4. Onder uitgaven en ontvangsten van een jaar worden verstaan:
a. de geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar;
b. de niet-geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar, bedoeld in artikel 25, eerste lid;
c. de verrekeningen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, die in dat jaar plaatsvinden;
d. de toevoegingen en onttrekkingen aan een reserve als bedoeld in artikel 5, vijfde lid.
5. Als verplichting van een jaar wordt geraamd het bedrag van de verplichting die in dat jaar rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking, een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen en die in dat jaar dan wel in een later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.
6. In afwijking van het vijfde lid kan als verplichting van een jaar worden opgenomen het bedrag dat in dat jaar als uitgave wordt geraamd met betrekking tot:
a. salarissen, wachtgelden en soortgelijke periodieke verplichtingen;
b. rente van de vaste en van de vlottende schuld;
c. aflossing van de vaste schuld;
d. huren, pachten en soortgelijke periodieke verplichtingen;
e. andere door Onze Minister van Financiën aan te wijzen categorieën verplichtingen.
7. Onze Minister van Financiën doet aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van de aangewezen categorieën.
2. De begrotingen bevatten de ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten, voor zover de daarmee gemoeide gelden niet toebehoren aan derden. De ramingen van de verplichtingen en van de uitgaven hebben het karakter van een maximum.
3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin, bevatten de begrotingen geen ramingen van de verplichtingen, de uitgaven en de ontvangsten die op grond van het bepaalde in artikel 23, tweede lid, buiten het begrotingsverband (zullen) worden gehouden.
4. Onder uitgaven en ontvangsten van een jaar worden verstaan:
a. de geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar;
b. de niet-geldelijke betalingen en ontvangsten in dat jaar, bedoeld in artikel 25, eerste lid;
c. de verrekeningen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, die in dat jaar plaatsvinden;
d. de toevoegingen en onttrekkingen aan een reserve als bedoeld in artikel 5, vijfde lid.
5. Als verplichting van een jaar wordt geraamd het bedrag van de verplichting die in dat jaar rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking, een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen en die in dat jaar dan wel in een later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.
6. In afwijking van het vijfde lid kan als verplichting van een jaar worden opgenomen het bedrag dat in dat jaar als uitgave wordt geraamd met betrekking tot:
a. salarissen, wachtgelden en soortgelijke periodieke verplichtingen;
b. rente van de vaste en van de vlottende schuld;
c. aflossing van de vaste schuld;
d. huren, pachten en soortgelijke periodieke verplichtingen;
e. andere door Onze Minister van Financiën aan te wijzen categorieën verplichtingen.
7. Onze Minister van Financiën doet aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van de aangewezen categorieën.