BWBR0003075
Geldig vanaf 2001-05-30
Artikel 10
Comptabiliteitswet
1. Onze ministers, ieder met betrekking tot de begrotingen waarover hij het beheer voert, zenden ontwerp-begrotingswijzigingen aan Onze Minister van Financiën. Artikel 8, tweede, derde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Voorstellen van wet tot wijziging van de begroting worden in elk geval ingediend met betrekking tot:
a. de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in artikel 12, eerste lid, en wel gelijktijdig met de betrokken voorjaarsnota;
b. nadere wijzigingen, tenzij boekhoudkundig van aard of voortvloeiend uit controlebevindingen, waaronder in elk geval begrepen de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, en wel gelijktijdig met de betrokken najaarsnota.
c. de slotwetwijzigingen, zijnde per begrotingsartikel de wijziging die leidt tot opheffing van het resterende verschil tussen de begrotingsraming, inclusief eerdere wijzigingen daarin aangebracht, en het gerealiseerde bedrag en wel uiterlijk op 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar.
3. De memorie van toelichting bij een voorstel van wet, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder aof b,sluit aan bij de toelichting die op grond van artikel 7is gegeven bij het desbetreffende voorstel van wet tot vaststelling van de begroting.
4. In voorkomende gevallen zendt Onze Minister van Financiën uiterlijk op 1 juni en uiterlijk op 1 december aan de Tweede Kamer een overzicht van de voorstellen van wet, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder aen b,die niet voor of op de datum van 1 juni, onderscheidenlijk 1 december aan de Tweede Kamer zijn gezonden. Dit overzicht kan zonodig worden verwerkt in de voorjaarsnota, bedoeld in artikel 12, eerste lid, respectievelijk in de najaarsnota, bedoeld in artikel 12, derde lid.
2. Voorstellen van wet tot wijziging van de begroting worden in elk geval ingediend met betrekking tot:
a. de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in artikel 12, eerste lid, en wel gelijktijdig met de betrokken voorjaarsnota;
b. nadere wijzigingen, tenzij boekhoudkundig van aard of voortvloeiend uit controlebevindingen, waaronder in elk geval begrepen de wijzigingen, samenhangend met die bedoeld in artikel 12, tweede en derde lid, en wel gelijktijdig met de betrokken najaarsnota.
c. de slotwetwijzigingen, zijnde per begrotingsartikel de wijziging die leidt tot opheffing van het resterende verschil tussen de begrotingsraming, inclusief eerdere wijzigingen daarin aangebracht, en het gerealiseerde bedrag en wel uiterlijk op 1 september van het jaar volgend op het begrotingsjaar.
3. De memorie van toelichting bij een voorstel van wet, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder aof b,sluit aan bij de toelichting die op grond van artikel 7is gegeven bij het desbetreffende voorstel van wet tot vaststelling van de begroting.
4. In voorkomende gevallen zendt Onze Minister van Financiën uiterlijk op 1 juni en uiterlijk op 1 december aan de Tweede Kamer een overzicht van de voorstellen van wet, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder aen b,die niet voor of op de datum van 1 juni, onderscheidenlijk 1 december aan de Tweede Kamer zijn gezonden. Dit overzicht kan zonodig worden verwerkt in de voorjaarsnota, bedoeld in artikel 12, eerste lid, respectievelijk in de najaarsnota, bedoeld in artikel 12, derde lid.