BWBR0003075
Geldig vanaf 2001-05-30
Artikel 18
Comptabiliteitswet
1. Wanneer een wet tot vaststelling van een begroting niet vóór 1 januari van het jaar waarop deze betrekking heeft in werking is getreden, kan Onze minister die het beheer voert over die begroting in het belang van het Rijk:
a. voor het aangaan van verplichtingen beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige begrotingsartikelen van het voorafgaande jaar zijn toegestaan;
b. voor het verrichten van uitgaven beschikken over de bedragen die in het voorstel van de wet tot vaststelling van die begroting daarvoor zijn geraamd.
2. In het belang van het Rijk kan Onze minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën met betrekking tot een of meer begrotingsartikelen van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a,afwijken.
3. Onze Minister van Financiën doet aan de Staten-Generaal en aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van een toepassing van het bepaalde in het tweede lid.
a. voor het aangaan van verplichtingen beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige begrotingsartikelen van het voorafgaande jaar zijn toegestaan;
b. voor het verrichten van uitgaven beschikken over de bedragen die in het voorstel van de wet tot vaststelling van die begroting daarvoor zijn geraamd.
2. In het belang van het Rijk kan Onze minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën met betrekking tot een of meer begrotingsartikelen van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a,afwijken.
3. Onze Minister van Financiën doet aan de Staten-Generaal en aan de Algemene Rekenkamer schriftelijk mededeling van een toepassing van het bepaalde in het tweede lid.