BWBR0002577
Geldig vanaf 1967-07-01
Artikel 5
ALGEMENE DAGLOONREGELEN ZIEKTEWET
1. Indien het op grond van artikel 3, eerste lid, berekende aantal dagen minder bedraagt dan 20 wordt voor de toepassing van de artikelen 3, eerste lid, en 4uitgegaan van het loon, dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in dienstbetrekking heeft genoten.
2. Indien het op grond van artikel 3, tweede lid, berekende aantal dagen minder bedraagt dan 20 wordt voor de toepassing van de artikelen 3, tweede lid, en 4uitgegaan van het loon, dat de werknemer in de periode, bedoeld in artikel 3, tweede lid, in dienstbetrekking heeft genoten.
3. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 3, eerste lid, en 4 en het eerste lid van dit artikel – gelet op het loon, dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de 52 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag placht te genieten – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 3, eerste lid, en 4uitgegaan van het loon, dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking heeft genoten.
4. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 3, tweede lid, en 4 en het tweede lid van dit artikel – gelet op het loon, dat de werknemer in de 52 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag placht te genieten – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 3, tweede lid, en 4uitgegaan van het loon, dat de werknemer in de in de periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking heeft genoten.
5. Het derde of vierde lid vindt in ieder geval toepassing, indien de werknemer, in de 13 kalender- of loonweken, bedoeld in artikel 3, tariefdiensten heeft genoten, welke, gelet op hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn.
Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het derde of vierde lid, al dan niet op grond van de vorige volzin, gelet op de tariefverdiensten, die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor die vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
6. Indien in het geval, bedoeld in het derde lid, in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken het aantal van 20 dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 13 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking gemiddeld hebben genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd werkzaam waren. Het derde en vijfde lid, artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 4zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer ongeschikt tot werken waren geworden.
7. Indien in het geval, bedoeld in het vierde lid, in de periode van 52 kalender- of loonweken het aantal van 20 dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 13 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking gemiddeld hebben genoten over de in die weken gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd werkzaam waren. Het vierde en vijfde lid, artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 4zijn van overeenkomstige toepassing, als of het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer ongeschikt tot werken waren geworden.
8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in het eerste tot en met zevende lid en in artikel 3, in verband met de inrichting van de loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg met die werkgever andere perioden vast te stellen, die zo weinig mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.
2. Indien het op grond van artikel 3, tweede lid, berekende aantal dagen minder bedraagt dan 20 wordt voor de toepassing van de artikelen 3, tweede lid, en 4uitgegaan van het loon, dat de werknemer in de periode, bedoeld in artikel 3, tweede lid, in dienstbetrekking heeft genoten.
3. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 3, eerste lid, en 4 en het eerste lid van dit artikel – gelet op het loon, dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de 52 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag placht te genieten – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 3, eerste lid, en 4uitgegaan van het loon, dat de werknemer in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking heeft genoten.
4. Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig de artikelen 3, tweede lid, en 4 en het tweede lid van dit artikel – gelet op het loon, dat de werknemer in de 52 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, gemiddeld per dag placht te genieten – kennelijk geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor de toepassing van de artikelen 3, tweede lid, en 4uitgegaan van het loon, dat de werknemer in de in de periode van 52 kalender- of loonweken in dienstbetrekking heeft genoten.
5. Het derde of vierde lid vindt in ieder geval toepassing, indien de werknemer, in de 13 kalender- of loonweken, bedoeld in artikel 3, tariefdiensten heeft genoten, welke, gelet op hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn.
Indien de uitkomst van de berekening overeenkomstig het derde of vierde lid, al dan niet op grond van de vorige volzin, gelet op de tariefverdiensten, die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn, geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt voor die vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
6. Indien in het geval, bedoeld in het derde lid, in de volledige salarisbetalingsperioden in de periode van 52 kalender- of loonweken het aantal van 20 dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 13 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking gemiddeld hebben genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd werkzaam waren. Het derde en vijfde lid, artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 4zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer ongeschikt tot werken waren geworden.
7. Indien in het geval, bedoeld in het vierde lid, in de periode van 52 kalender- of loonweken het aantal van 20 dagen niet wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, geacht gelijk te zijn aan het loon, dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in de 13 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken van de werknemer onmiddellijk voorafgaande, in dienstbetrekking gemiddeld hebben genoten over de in die weken gelegen dagen, waarop zij gedurende ten minste de voor de werknemer normale werktijd werkzaam waren. Het vierde en vijfde lid, artikel 3, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 4zijn van overeenkomstige toepassing, als of het een berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en deze op dezelfde datum als de werknemer ongeschikt tot werken waren geworden.
8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om, indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in het eerste tot en met zevende lid en in artikel 3, in verband met de inrichting van de loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in overleg met die werkgever andere perioden vast te stellen, die zo weinig mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.