BWBR0002577
Geldig vanaf 1967-07-01
Artikel 13
ALGEMENE DAGLOONREGELEN ZIEKTEWET
1. Het dagloon van degene, wiens aanspraak op ziekengeld berust op het bepaalde in artikel 46 van de Ziektewetwordt bepaald op het dagloon, waarnaar zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswetzou zijn berekend, zo hij daarop aanspraak zou hebben kunnen doen gelden.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het dagloon van de aldaar bedoelde persoon, die laatstelijk als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Ziektewet, en die laatstelijk een kortdurende uitkering of een vervolguitkering ingevolge de Werkloosheidswetontving, bepaald op:
a. het minimumloon per maand als bedoeld in artikel 8, eerste lid onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet en vervolgens gedeeld door 21,75;
b. het bedrag berekend met toepassing van onderdeel a, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de uitkeringsgerechtigde is ingedeeld en de noemer door het getal 100, indien hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt of – indien het bepaalde in artikel 25, 28, 30 of 33 van die wet te zijnen aanzien niet van toepassing was – zou ontvangen;
c. het dagloon, waarnaar zijn loondervingsuitkering ingevolge de Werkloosheidswet werd of zou zijn berekend, ingeval het dagloon, waarnaar die loondervingsuitkering werd of zou zijn berekend, lager is dan het bedrag berekend overeenkomstig de onderdelen a en b.
3. Het bepaalde in artikel 12, derde, zevende en achtste lidis van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking van het bepaalde in dit artikel wordt het dagloon van degene, wiens aanspraak op ziekengeld berust op het bepaalde in artikel 46 van de Ziekteweten voor wie bij het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd geldt, ingevolge welke voor hem de werktijd niet gedurende de gehele periode, waarvoor die regeling geldt, tot 0-uur is verkort, wordt berekend met toepassing van de regelen, die voor hem zouden hebben gegolden, zo hij op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken verzekerd ware geweest.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het dagloon van de aldaar bedoelde persoon, die laatstelijk als werknemer werd beschouwd op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Ziektewet, en die laatstelijk een kortdurende uitkering of een vervolguitkering ingevolge de Werkloosheidswetontving, bepaald op:
a. het minimumloon per maand als bedoeld in artikel 8, eerste lid onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657) of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet en vervolgens gedeeld door 21,75;
b. het bedrag berekend met toepassing van onderdeel a, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de uitkeringsgerechtigde is ingedeeld en de noemer door het getal 100, indien hij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt of – indien het bepaalde in artikel 25, 28, 30 of 33 van die wet te zijnen aanzien niet van toepassing was – zou ontvangen;
c. het dagloon, waarnaar zijn loondervingsuitkering ingevolge de Werkloosheidswet werd of zou zijn berekend, ingeval het dagloon, waarnaar die loondervingsuitkering werd of zou zijn berekend, lager is dan het bedrag berekend overeenkomstig de onderdelen a en b.
3. Het bepaalde in artikel 12, derde, zevende en achtste lidis van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking van het bepaalde in dit artikel wordt het dagloon van degene, wiens aanspraak op ziekengeld berust op het bepaalde in artikel 46 van de Ziekteweten voor wie bij het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd geldt, ingevolge welke voor hem de werktijd niet gedurende de gehele periode, waarvoor die regeling geldt, tot 0-uur is verkort, wordt berekend met toepassing van de regelen, die voor hem zouden hebben gegolden, zo hij op de dag van het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken verzekerd ware geweest.