BWBR0002577
Geldig vanaf 1967-07-01
Artikel 3
ALGEMENE DAGLOONREGELEN ZIEKTEWET
1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de werknemer in de 13 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden in die weken gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in de laatste dienstbetrekking werkzaam was, met dien verstande, dat bij deze berekening:
a. de dagen, waarop hij ten gevolge van ongeschiktheid tot werken niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon, buiten aanmerking blijven;
b. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt niet meer dan 5 te bedragen.
2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van het dagloon het loon berekend, dat de werknemer in de 13 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in die weken gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in de laatste dienstbetrekking werkzaam was. Bij deze berekening is het eerste lid, onderdelen a en b, van toepassing.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden ten aanzien van de werknemer, voor wie bij het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd geldt, de woorden ‘het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken” gelezen als’ de invoering van de regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd”. Onder een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd wordt niet verstaan onbetaald verlof.
4. Voor de vaststelling van de periode van 13 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt onbetaald verlof tot een maximum van 78 weken niet in aanmerking genomen.
a. de dagen, waarop hij ten gevolge van ongeschiktheid tot werken niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon, buiten aanmerking blijven;
b. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt niet meer dan 5 te bedragen.
2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van het dagloon het loon berekend, dat de werknemer in de 13 kalender- of loonweken, aan het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over de in die weken gelegen dagen, waarop hij gedurende tenminste de voor hem normale werktijd in de laatste dienstbetrekking werkzaam was. Bij deze berekening is het eerste lid, onderdelen a en b, van toepassing.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden ten aanzien van de werknemer, voor wie bij het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd geldt, de woorden ‘het ontstaan van zijn ongeschiktheid tot werken” gelezen als’ de invoering van de regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd”. Onder een regeling tot toepassing van een kortere dan de voor hem normale werktijd wordt niet verstaan onbetaald verlof.
4. Voor de vaststelling van de periode van 13 kalender- of loonweken, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt onbetaald verlof tot een maximum van 78 weken niet in aanmerking genomen.