BWBR0002516
Geldig vanaf 2004-09-09
Artikel 12a
Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw
1. Voor de verzekering op grond van de arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dan wel de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van degenen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Ziekenfondswet, alsmede voor de verzekering van degenen, bedoeld in artikel 1, onder v, wordt van de uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering welke de verzekerde heeft genoten in het tijdvak waarover de betaling loopt, een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswetvastgestelde percentage.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering aangemerkt de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 26 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenen artikel 22 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de toelage, bedoeld in artikel 58, eerste en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de toeslag op grond van de Toeslagenwet, alsmede het bedrag, waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering of genoemde vakantie-uitkering wordt beperkt in verband met samenloop met een uitkering op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid.
3. Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswetvan overeenkomstige toepassing, waarbij het orgaan dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering doet als werkgever wordt beschouwd.
4. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 9, tweede en tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering van overeenkomstige toepassing.
Voor een verzekerde die tevens verzekerd is krachtens artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet, uit hoofde van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een verplichte verzekering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden voor de toepassing van de vorige volzin de uitkeringen, bedoeld in dit artikel, samengeteld.
5. Het orgaan dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering doet, houdt de door de verzekerde ingevolge dit artikel verschuldigde premie in op de uitkering.
6. Het in het vijfde lid bedoelde orgaan stort de in het eerste lid bedoelde premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
7. Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van degene die naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), of een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid een aanvullende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenontvangt, de som van de uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenen de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van die andere Mogendheid als grondslag voor de berekening van de verschuldigde ziekenfondspremie aangemerkt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering aangemerkt de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 26 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenen artikel 22 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de toelage, bedoeld in artikel 58, eerste en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de toeslag op grond van de Toeslagenwet, alsmede het bedrag, waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering of genoemde vakantie-uitkering wordt beperkt in verband met samenloop met een uitkering op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid.
3. Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswetvan overeenkomstige toepassing, waarbij het orgaan dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering doet als werkgever wordt beschouwd.
4. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 9, tweede en tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering van overeenkomstige toepassing.
Voor een verzekerde die tevens verzekerd is krachtens artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet, uit hoofde van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een verplichte verzekering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden voor de toepassing van de vorige volzin de uitkeringen, bedoeld in dit artikel, samengeteld.
5. Het orgaan dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering doet, houdt de door de verzekerde ingevolge dit artikel verschuldigde premie in op de uitkering.
6. Het in het vijfde lid bedoelde orgaan stort de in het eerste lid bedoelde premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
7. Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van degene die naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), of een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid een aanvullende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenontvangt, de som van de uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenen de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van die andere Mogendheid als grondslag voor de berekening van de verschuldigde ziekenfondspremie aangemerkt.