BWBR0002420
Geldig vanaf 1960-01-01
Artikel 7
Zuiderzeesteunbesluit 1963
Met de in het vorige artikel bedoelde goederen worden voor de toepassing van deze titel gelijkgesteld
a. vissersvaartuigen en netwerk, door de belanghebbende of door een zoon van een belanghebbende als bedoeld in het eerste lid van artikel 4 van dit besluit, gebezigd voor de uitoefening van het IJsselmeervisserijbedrijf, waarvoor hem een visvergunning was verleend, mits deze goederen in 1950, 1951 of 1952 in eigendom toebehoorden aan degeen in wiens visvergunning hij is opgevolgd;
b. vissersvaartuigen en netwerk, na 1952 eigendom geworden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld in het eerste lid van artikel 4 van dit besluit, nadat hij reeds in 1950, 1951 of 1952 houder of bezitter te goeder trouw ervan is geweest, voor zover deze goederen althans in één van die jaren werden gebezigd voor de uitoefening van het IJsselmeervisserijbedrijf, waarvoor hem een visvergunning was verleend mits zij tot de opheffing van zijn bedrijf zijn eigendom zijn gebleven;
c. vissersvaartuigen en netwerk, na 1952 eigendom geworden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld in het eerste lid van artikel 4 van dit besluit, of van hem, in wiens rechten deze als opvolger in de IJsselmeervisserij is getreden, mits zij hebben gestrekt om zijn IJsselmeervisserijbedrijf uiterlijk tot de opheffing daarvan te kunnen uitoefenen in de omvang waarin en de wijze waarop dit in 1950, 1951 of 1952 geschiedde.
a. vissersvaartuigen en netwerk, door de belanghebbende of door een zoon van een belanghebbende als bedoeld in het eerste lid van artikel 4 van dit besluit, gebezigd voor de uitoefening van het IJsselmeervisserijbedrijf, waarvoor hem een visvergunning was verleend, mits deze goederen in 1950, 1951 of 1952 in eigendom toebehoorden aan degeen in wiens visvergunning hij is opgevolgd;
b. vissersvaartuigen en netwerk, na 1952 eigendom geworden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld in het eerste lid van artikel 4 van dit besluit, nadat hij reeds in 1950, 1951 of 1952 houder of bezitter te goeder trouw ervan is geweest, voor zover deze goederen althans in één van die jaren werden gebezigd voor de uitoefening van het IJsselmeervisserijbedrijf, waarvoor hem een visvergunning was verleend mits zij tot de opheffing van zijn bedrijf zijn eigendom zijn gebleven;
c. vissersvaartuigen en netwerk, na 1952 eigendom geworden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld in het eerste lid van artikel 4 van dit besluit, of van hem, in wiens rechten deze als opvolger in de IJsselmeervisserij is getreden, mits zij hebben gestrekt om zijn IJsselmeervisserijbedrijf uiterlijk tot de opheffing daarvan te kunnen uitoefenen in de omvang waarin en de wijze waarop dit in 1950, 1951 of 1952 geschiedde.