BWBR0002420
Geldig vanaf 1960-01-01
Artikel 11
Zuiderzeesteunbesluit 1963
1. Als werkelijke waarde van vissersvaartuigen en van netwerk wordt beschouwd de opbrengst ervan bij openbare verkoop, geschied onder gewone omstandigheden op een geschikte tijd en op een geschikte plaats, na verkregen toestemming van Onze Minister, dan wel een bedrag dat Onze Minister in overeenstemming met de aanvrager van de vergoeding heeft bepaald.
2. Indien verkoop heeft plaats gevonden zonder toestemming van Onze Minister, stelt hij de werkelijke waarde vast.
Hetzelfde geldt voor het geval van verkoop op grond van artikel 1223 van het Burgerlijk wetboek en voor het geval van executoriale verkoop.
3. Indien binnen zes maanden nadat de vastgestelde basiswaarde overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van artikel 12van dit besluit ter kennis van de aanvrager van de vergoeding is gebracht, de werkelijke waarde niet in overeenstemming met die aanvrager is kunnen worden bepaald, of ingeval die aanvrager geen toestemming tot openbare verkoop aan Onze Minister heeft gevraagd, is de Minister bevoegd, de werkelijke waarde vast te stellen.
2. Indien verkoop heeft plaats gevonden zonder toestemming van Onze Minister, stelt hij de werkelijke waarde vast.
Hetzelfde geldt voor het geval van verkoop op grond van artikel 1223 van het Burgerlijk wetboek en voor het geval van executoriale verkoop.
3. Indien binnen zes maanden nadat de vastgestelde basiswaarde overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van artikel 12van dit besluit ter kennis van de aanvrager van de vergoeding is gebracht, de werkelijke waarde niet in overeenstemming met die aanvrager is kunnen worden bepaald, of ingeval die aanvrager geen toestemming tot openbare verkoop aan Onze Minister heeft gevraagd, is de Minister bevoegd, de werkelijke waarde vast te stellen.