BWBR0002420
Geldig vanaf 1960-01-01
Artikel 4
Zuiderzeesteunbesluit 1963
1. Met inachtneming van hetgeen overigens in deze titel is bepaald wordt de vergoeding toegekend aan de belanghebbende alsmede aan de zoon van een belanghebbende, voor zover deze
a. in 1950, 1951 of 1952 houder waren van een visvergunning en
b. hun bedrijf bij inlevering van de visvergunning zonder in die vergunning te zijn opgevolgd, hebben opgeheven vóór 1 juni 1976.
2. Bij overlijden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld in het vorige lid, treedt, voor zover er geen opvolging in de vergunning heeft plaatsgehad, met uitsluiting van alle anderen de weduwe in diens plaats of, indien hij geen weduwe achterlaat, zijn erfgenamen in de eerste en bij gebreke van dezen zijn erfgenamen in de tweede graad van bloedverwantschap in rechte nederdalende lijn.
a. in 1950, 1951 of 1952 houder waren van een visvergunning en
b. hun bedrijf bij inlevering van de visvergunning zonder in die vergunning te zijn opgevolgd, hebben opgeheven vóór 1 juni 1976.
2. Bij overlijden van de belanghebbende of van de zoon van een belanghebbende als bedoeld in het vorige lid, treedt, voor zover er geen opvolging in de vergunning heeft plaatsgehad, met uitsluiting van alle anderen de weduwe in diens plaats of, indien hij geen weduwe achterlaat, zijn erfgenamen in de eerste en bij gebreke van dezen zijn erfgenamen in de tweede graad van bloedverwantschap in rechte nederdalende lijn.