BWBR0002336
Geldig vanaf 1960-03-07
Artikel 3
Eisenbesluit (Vleeskeuringswet)
1. De vloeren moeten zijn vervaardigd van materiaal, dat vocht niet doorlaat of opneemt; zij mogen noch scheuren, noch onnodige verdiepingen vertonen en moeten zoveel helling hebben, dat het spoel- en schrobwater, hetzij rechtstreeks, hetzij door open goten, gemakkelijk kan wegvloeien naar met een afneembaar rooster gedekte en van stankafsluiting voorziene kolken, vanwaar het door een goed gesloten waterdicht buizenstelsel moet worden weggevoerd naar de gemeentelijke riolering. Indien een dergelijke riolering niet aanwezig is of van aansluiting daarop door burgemeester en wethouders, gehoord de inspecteur, ontheffing is verleend, moet het afvalwater worden geleid naar een put, welke buiten de inrichting is gelegen en zo is afgesloten, dat verspreiding van smetstof en van onaangename geuren wordt voorkomen; lediging van deze putten moet geregeld plaatsvinden op een tijdstip, dat in de bedrijfsruimten, gelegen in de onmiddellijke nabijheid, geen werkzaamheden worden verricht.
2. Het bepaalde omtrent de helling van de vloeren en de afvoer van spoel- en schrobwater is niet van toepassing op koel- en vriesruimten en op pekelkelders en vleeswinkels, indien het spoel- en schrobwater niet kan wegvloeien.
3. Het bepaalde omtrent het materiaal van de vloeren is niet van toepassing op vriesruimten.
4. De inspecteur kan tegen het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, beroep instellen bij Gedeputeerde Staten.
2. Het bepaalde omtrent de helling van de vloeren en de afvoer van spoel- en schrobwater is niet van toepassing op koel- en vriesruimten en op pekelkelders en vleeswinkels, indien het spoel- en schrobwater niet kan wegvloeien.
3. Het bepaalde omtrent het materiaal van de vloeren is niet van toepassing op vriesruimten.
4. De inspecteur kan tegen het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, beroep instellen bij Gedeputeerde Staten.