BWBR0002336
Geldig vanaf 1960-03-07
Artikel 11
Eisenbesluit (Vleeskeuringswet)
1. De bedrijfsruimten, met uitzondering van koel- en vriesruimten, moeten zijn aangesloten op een openbare drinkwaterleiding, tenzij deze in de gemeente niet aanwezig is, dan wel Onze Minister, van deze verplichting ontheffing heeft verleend.
2. In de bedrijfsruimten, met uitzondering van koel- en vriesruimten, dient voldoende water ter beschikking te zijn dat voldoet aan de eisen gesteld in tabel I opgenomen in bijlage A van het Waterleidingbesluit( Stb.1960, 345), voorzover van toepassing en met dien verstande, dat ten aanzien van de parameter no. 15, de waarde gelijk is aan of minder is dan 1 per 20 ml.
3. Het gebruik van ander water, dan het water bedoeld in het tweede lid is verboden, behalve voor zover het water betreft, dat gebruikt wordt voor het produceren van stoom, mits de daartoe aangebrachte leidingen het gebruik van dit water voor andere doeleinden onmogelijk maken en geen gevaar voor besmetting van vlees of vleeswaren opleveren, en voor zover het water betreft, bestemd voor de bestrijding van brand en voor het koelen van koelmachines. De leidingen voor het in de vorige volzin bedoelde water moeten kunnen worden onderscheiden van de leidingen van het in het eerste lid bedoelde water.
4. Onze Minister kan na overleg met Onze Minister van Landbouw en Visserij aanvullende eisen stellen aan water bedoeld in het tweede lid met het oog op de goede hoedanigheid van het vlees of de vleeswaren.
2. In de bedrijfsruimten, met uitzondering van koel- en vriesruimten, dient voldoende water ter beschikking te zijn dat voldoet aan de eisen gesteld in tabel I opgenomen in bijlage A van het Waterleidingbesluit( Stb.1960, 345), voorzover van toepassing en met dien verstande, dat ten aanzien van de parameter no. 15, de waarde gelijk is aan of minder is dan 1 per 20 ml.
3. Het gebruik van ander water, dan het water bedoeld in het tweede lid is verboden, behalve voor zover het water betreft, dat gebruikt wordt voor het produceren van stoom, mits de daartoe aangebrachte leidingen het gebruik van dit water voor andere doeleinden onmogelijk maken en geen gevaar voor besmetting van vlees of vleeswaren opleveren, en voor zover het water betreft, bestemd voor de bestrijding van brand en voor het koelen van koelmachines. De leidingen voor het in de vorige volzin bedoelde water moeten kunnen worden onderscheiden van de leidingen van het in het eerste lid bedoelde water.
4. Onze Minister kan na overleg met Onze Minister van Landbouw en Visserij aanvullende eisen stellen aan water bedoeld in het tweede lid met het oog op de goede hoedanigheid van het vlees of de vleeswaren.