BWBR0002290
Geldig vanaf 1961-02-15
Artikel 34
Wet op de geneesmiddelenvoorziening
1. De geneeskundigen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet als zodanig gevestigd zijn en gebruik maken van de bevoegdheid, hun toekomende krachtens artikel 9 van de wet van 1 juni 1865 ( <em>Staatsblad</em>No. 60) en artikel 21 van de wet van 1 juni 1865 ( <em>Staatsblad</em>No. 61), tot bereiding en aflevering van geneesmiddelen in de plaats, waar zij gevestigd zijn en in andere plaatsen in welke geen apotheker gevestigd is, behouden die voorschreven bevoegdheid zolang zij daarvan gebruik blijven maken, echter uiterlijk zolang zij in dezelfde gemeente als geneeskundige gevestigd blijven en met uitzondering van de bereiding van farmaceutische specialités.
2. Apothekers en apothekers-assistenten, die op het tijdstip van inwerkingtreden van deze wet van hun bevoegdheid volgens de bepalingen van de wet van 1 Juni 1865 ( <em>Staatsblad</em>No. 61), regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst, gebruik maken, behouden deze bevoegdheid tot het tijdstip, waarop zij door de inspecteur in de registers, bedoeld in artikel 14, zijn ingeschreven, doch ten hoogste gedurende een termijn van acht maanden.
3. De geneeskundigen, bedoeld in het eerste lid, en de apothekers en apothekers-assistenten, bedoeld in het tweede lid, die na het tijdstip, waarop deze wet in werking is getreden, van de bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbereidkunst gebruik willen maken, zijn verplicht zich binnen zes maanden na dat tijdstip tot de inspecteur te wenden met een verzoek om inschrijving en, voor zover het waarnemende apothekers betreft, met een verzoek om toestemming tot waarneming.
2. Apothekers en apothekers-assistenten, die op het tijdstip van inwerkingtreden van deze wet van hun bevoegdheid volgens de bepalingen van de wet van 1 Juni 1865 ( <em>Staatsblad</em>No. 61), regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst, gebruik maken, behouden deze bevoegdheid tot het tijdstip, waarop zij door de inspecteur in de registers, bedoeld in artikel 14, zijn ingeschreven, doch ten hoogste gedurende een termijn van acht maanden.
3. De geneeskundigen, bedoeld in het eerste lid, en de apothekers en apothekers-assistenten, bedoeld in het tweede lid, die na het tijdstip, waarop deze wet in werking is getreden, van de bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbereidkunst gebruik willen maken, zijn verplicht zich binnen zes maanden na dat tijdstip tot de inspecteur te wenden met een verzoek om inschrijving en, voor zover het waarnemende apothekers betreft, met een verzoek om toestemming tot waarneming.