BWBR0002290
Geldig vanaf 1961-02-15
Artikel 16
Wet op de geneesmiddelenvoorziening
1. De inschrijving vervalt:
a. bij overlijden van de ingeschrevene;
b. indien de ingeschrevene aan de inspecteur te kennen geeft, dat hij ophoudt de artsenijbereidkunst uit te oefenen in de apotheek, waarvoor hij is ingeschreven;
c. ingeval het een apotheker betreft: indien de ingeschrevene niet meer ingeschreven staat in het desbetreffende overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ingestelde register;
d. ingeval het een apotheekhoudende arts betreft: indien de ingeschrevene niet meer ingeschreven staat in het desbetreffende overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ingestelde register, of hij zijn bevoegdheid tot uitoefening van de artsenijbereidkunst heeft verloren.
2. De inspecteur is bevoegd de inschrijving van een gevestigd apotheker, een waarnemend apotheker, een tweede apotheker, of een apotheekhoudend arts in te trekken, indien naar zijn oordeel voldoende waarborgen voor de aflevering van deugdelijke geneesmiddelen niet aanwezig zijn. Onder deze waarborgen is mede begrepen, dat het toezicht door de apotheker in zijn apotheek uit te oefenen voldoende zal zijn.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de inspecteur bevoegd de apotheek te sluiten en de toegang, de kasten en de werktuigen te verzegelen gedurende de tijd, dat geen nieuwe inschrijving is geschied.
a. bij overlijden van de ingeschrevene;
b. indien de ingeschrevene aan de inspecteur te kennen geeft, dat hij ophoudt de artsenijbereidkunst uit te oefenen in de apotheek, waarvoor hij is ingeschreven;
c. ingeval het een apotheker betreft: indien de ingeschrevene niet meer ingeschreven staat in het desbetreffende overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ingestelde register;
d. ingeval het een apotheekhoudende arts betreft: indien de ingeschrevene niet meer ingeschreven staat in het desbetreffende overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg ingestelde register, of hij zijn bevoegdheid tot uitoefening van de artsenijbereidkunst heeft verloren.
2. De inspecteur is bevoegd de inschrijving van een gevestigd apotheker, een waarnemend apotheker, een tweede apotheker, of een apotheekhoudend arts in te trekken, indien naar zijn oordeel voldoende waarborgen voor de aflevering van deugdelijke geneesmiddelen niet aanwezig zijn. Onder deze waarborgen is mede begrepen, dat het toezicht door de apotheker in zijn apotheek uit te oefenen voldoende zal zijn.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de inspecteur bevoegd de apotheek te sluiten en de toegang, de kasten en de werktuigen te verzegelen gedurende de tijd, dat geen nieuwe inschrijving is geschied.