BWBR0002290
Geldig vanaf 1961-02-15
Artikel 25
Wet op de geneesmiddelenvoorziening
1. De inspecteur is bevoegd de gevestigde apotheker, de waarnemende apotheker en de apotheekhoudend arts aanwijzingen te geven ter verbetering van de inrichting en de toestand van de apotheek en van de wijze waarop daarin de artsenijbereidkunst wordt uitgeoefend.
2. De inspecteur is bevoegd de in het eerste lid bedoelde aanwijzing schriftelijk te geven, waarbij hij een termijn bepaalt, binnen welke aan de aanwijzing gevolg moet zijn gegeven.
3. De gevestigde apotheker, de waarnemende apotheker of de apotheekhoudende arts behoeven aan de gegeven aanwijzing geen gevolg te geven, zolang deze aanwijzing nog niet onherroepelijk is geworden. De eerste volzin is niet van toepassing indien naar het oordeel van de inspecteur een onmiddellijke opvolging van de aanwijzing in het belang van de volksgezondheid noodzakelijk is.
2. De inspecteur is bevoegd de in het eerste lid bedoelde aanwijzing schriftelijk te geven, waarbij hij een termijn bepaalt, binnen welke aan de aanwijzing gevolg moet zijn gegeven.
3. De gevestigde apotheker, de waarnemende apotheker of de apotheekhoudende arts behoeven aan de gegeven aanwijzing geen gevolg te geven, zolang deze aanwijzing nog niet onherroepelijk is geworden. De eerste volzin is niet van toepassing indien naar het oordeel van de inspecteur een onmiddellijke opvolging van de aanwijzing in het belang van de volksgezondheid noodzakelijk is.