BWBR0001940
Geldig vanaf 1928-10-01
Artikel 3
Marinescheepsongevallenwet
1. De Marineraden bestaan uit een voorzitter en vier leden. De voorzitter van den Nederlandschen Marineraad moet aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekbetrekking heeft, hebben verkregen het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren, mits dit doctoraat of dit recht verkregen is op grond van het afleggen van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsrecht, Staatsrecht en strafrecht. De voorzitter van den Nederlandsch-Indischen Marineraad moet voldoen aan de eischen, gesteld voor de benoembaarheid tot lid van een Raad van Justitie in Nederlandsch-Indië. De leden moeten zijn zeeofficier of oud-zeeofficier, met dien verstande, dat ten minste twee der leden den rang van vlag- of hoofdofficier moeten bekleeden of bekleed hebben en niet meer dan twee van hen oud-zeeofficieren mogen zijn.
2. Voor beide raden worden tevens benoemd een plaatsvervangend voorzitter en de noodige plaatsvervangende leden, te wier aanzien het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing is.
3. Aan elken Raad worden een secretaris en een plaatsvervangend secretaris verbonden, die moeten zijn zeeofficier of oud-zeeofficier.
4. Aan elken Raad worden, op diens verzoek, voor elk geval afzonderlijk, de noodige deskundige raadgevers toegevoegd.
5. De voorzitters, de plaatsvervangende voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor den tijd van ten minste één en ten hoogste vier jaren.
Herbenoeming heeft niet plaats, tenzij bijzondere omstandigheden in het betrekkelijke besluit te vermelden, daartoe aanleiding geven.
6. De benoeming van den voorzitter, den plaatsvervangenden voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van den Nederlandschen Marineraad, zoomede de toevoeging aan dit college van deskundige raadgevers, geschieden door Ons; ten aanzien van den Nederlandsch-Indischen Marineraad geschiedt dit door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië.
2. Voor beide raden worden tevens benoemd een plaatsvervangend voorzitter en de noodige plaatsvervangende leden, te wier aanzien het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing is.
3. Aan elken Raad worden een secretaris en een plaatsvervangend secretaris verbonden, die moeten zijn zeeofficier of oud-zeeofficier.
4. Aan elken Raad worden, op diens verzoek, voor elk geval afzonderlijk, de noodige deskundige raadgevers toegevoegd.
5. De voorzitters, de plaatsvervangende voorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor den tijd van ten minste één en ten hoogste vier jaren.
Herbenoeming heeft niet plaats, tenzij bijzondere omstandigheden in het betrekkelijke besluit te vermelden, daartoe aanleiding geven.
6. De benoeming van den voorzitter, den plaatsvervangenden voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van den Nederlandschen Marineraad, zoomede de toevoeging aan dit college van deskundige raadgevers, geschieden door Ons; ten aanzien van den Nederlandsch-Indischen Marineraad geschiedt dit door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië.