BWBR0001940
Geldig vanaf 1928-10-01
Artikel 17
Marinescheepsongevallenwet
1. Wanneer de behandeling van een zaak voor een Marineraad is afgeloopen, wordt nopens de ramp of het ongeval door den voorzitter van dien Raad in het openbaar uitspraak gedaan, behoudens in het uitzonderingsgeval, bedoeld in het slot van artikel 10, eerste liden in artikel 12, tweede lid.
2. Deze uitspraak moet een overzicht bevatten van den gang van het gehouden onderzoek, en de uitkomst daarvan vermelden.
3. Op grond van het gehouden onderzoek deelt de Nederlandsche Marineraad aan Onzen Minister van Defensie en de Nederlandsch-Indische Marineraad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië mede of er naar 's Raads oordeel aanleiding bestaat maatregelen te nemen tegen opvarenden van een oorlogsvaartuig, wier verzuim of schuld van invloed is geweest op de ramp of het ongeval, zoo noodig met advies omtrent de te hunnen aanzien te volgen gedragslijn.
4. Indien bij den Nederlandschen Marineraad tijdens het onderzoek het vermoeden is gerezen, dat de ramp of het ongeval is veroorzaakt door de ongeschiktheid, of door een daad of nalatigheid van den kapitein, een stuurman, een machinist of een radiotelegrafist van een schip, dat ingevolge artikel 2of artikel 2bis der Schepenwetonder de bepalingen dier wet valt, worden, behoudens in het uitzonderingsgeval, bedoeld in het slot van artikel 10, eerste lid, en in artikel 12, tweede lid, na afloop van de behandeling der zaak de stukken van het onderzoek in handen gesteld van den Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart te 's-Gravenhage, die handelt als in Hoofdstuk IV dier wetis omschreven. De Nederlandsch-Indische Marineraad stelt in een dergelijk geval, wanneer het betrokken schip ingevolge of krachtens artikel 2 der Schepenordonnantie 1927 ( Indisch Staatsbladn°. 33) valt onder de bepalingen dier ordonnantie, de stukken van het onderzoek in handen van den Hoofdinspecteur, Hoofd van den Dienst van Scheepvaart, die handelt als is aangegeven in artikel 22 der Schepenordonnantie 1927. Is een schip, vallende onder de bepalingen van de Schepenwet, bij de zaak betrokken, dan zendt de Nederlandsch-Indische Marineraad de stukken aan den Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart te 's-Gravenhage.
5. Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt zoo spoedig mogelijk aangeboden, door den Nederlandschen Marineraad aan Onzen Minister van Defensie, door den Nederlandsch-Indischen Marineraad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië.
6. De uitspraken van den Nederlandschen Marineraad worden op door Ons te bepalen wijze openbaar gemaakt; ten aanzien van de uitspraken van den Nederlandsch-Indischen Marineraad geschiedt dit op de wijze, door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië te bepalen.
7. Indien zich het uitzonderingsgeval, bedoeld in het slot van artikel 10, eerste lid, en in artikel 12, tweede lid, voordoet, wordt door den voorzitter van den Raad een verslag van den gang van het gehouden onderzoek en van de uitspraak onder geheim couvert overgelegd, voor zooveel betreft den Nederlandschen Raad aan Onzen Minister van Defensie en wat betreft den Nederlandsch-Indischen Raad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië. Wanneer deze rapporten geen defensiegeheimen bevatten, wordt daarvan een exemplaar neergelegd ter griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en, wanneer de zaak betrekking heeft op een oorlogsvaartuig, staande onder het opperbevel van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, ook op het secretariaat van den Volksraad aldaar.
2. Deze uitspraak moet een overzicht bevatten van den gang van het gehouden onderzoek, en de uitkomst daarvan vermelden.
3. Op grond van het gehouden onderzoek deelt de Nederlandsche Marineraad aan Onzen Minister van Defensie en de Nederlandsch-Indische Marineraad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië mede of er naar 's Raads oordeel aanleiding bestaat maatregelen te nemen tegen opvarenden van een oorlogsvaartuig, wier verzuim of schuld van invloed is geweest op de ramp of het ongeval, zoo noodig met advies omtrent de te hunnen aanzien te volgen gedragslijn.
4. Indien bij den Nederlandschen Marineraad tijdens het onderzoek het vermoeden is gerezen, dat de ramp of het ongeval is veroorzaakt door de ongeschiktheid, of door een daad of nalatigheid van den kapitein, een stuurman, een machinist of een radiotelegrafist van een schip, dat ingevolge artikel 2of artikel 2bis der Schepenwetonder de bepalingen dier wet valt, worden, behoudens in het uitzonderingsgeval, bedoeld in het slot van artikel 10, eerste lid, en in artikel 12, tweede lid, na afloop van de behandeling der zaak de stukken van het onderzoek in handen gesteld van den Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart te 's-Gravenhage, die handelt als in Hoofdstuk IV dier wetis omschreven. De Nederlandsch-Indische Marineraad stelt in een dergelijk geval, wanneer het betrokken schip ingevolge of krachtens artikel 2 der Schepenordonnantie 1927 ( Indisch Staatsbladn°. 33) valt onder de bepalingen dier ordonnantie, de stukken van het onderzoek in handen van den Hoofdinspecteur, Hoofd van den Dienst van Scheepvaart, die handelt als is aangegeven in artikel 22 der Schepenordonnantie 1927. Is een schip, vallende onder de bepalingen van de Schepenwet, bij de zaak betrokken, dan zendt de Nederlandsch-Indische Marineraad de stukken aan den Inspecteur-Generaal voor de Scheepvaart te 's-Gravenhage.
5. Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt zoo spoedig mogelijk aangeboden, door den Nederlandschen Marineraad aan Onzen Minister van Defensie, door den Nederlandsch-Indischen Marineraad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië.
6. De uitspraken van den Nederlandschen Marineraad worden op door Ons te bepalen wijze openbaar gemaakt; ten aanzien van de uitspraken van den Nederlandsch-Indischen Marineraad geschiedt dit op de wijze, door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië te bepalen.
7. Indien zich het uitzonderingsgeval, bedoeld in het slot van artikel 10, eerste lid, en in artikel 12, tweede lid, voordoet, wordt door den voorzitter van den Raad een verslag van den gang van het gehouden onderzoek en van de uitspraak onder geheim couvert overgelegd, voor zooveel betreft den Nederlandschen Raad aan Onzen Minister van Defensie en wat betreft den Nederlandsch-Indischen Raad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië. Wanneer deze rapporten geen defensiegeheimen bevatten, wordt daarvan een exemplaar neergelegd ter griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en, wanneer de zaak betrekking heeft op een oorlogsvaartuig, staande onder het opperbevel van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, ook op het secretariaat van den Volksraad aldaar.