BWBR0001940
Geldig vanaf 1928-10-01
Artikel 13
Marinescheepsongevallenwet
1. Op het voorloopig onderzoek, in te stellen door of vanwege de daartoe aangewezen vlootvoogden, zoomede op het onderzoek door de Marineraden, zijn van overeenkomstige toepassing de bepalingen omtrent het onderzoek van strafzaken, vervat in de Regtspleging bij de Zeemagt, met dien verstande, dat onder eede gehoord wordende getuigen, in stede van hunne mededeelingen na het afleggen daarvan met een eed of plechtige verklaring te bevestigen, zullen moeten zweren (beloven) dat zij de geheele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen, alvorens tot het afleggen hunner verklaring te worden toegelaten.
2. Voor de in het eerste lid bedoelde officieren, voor de voorzitters der Marineraden en voor de Marineraden gelden, met betrekking tot het te houden onderzoek, dezelfde bevoegdheden en verplichtingen, als in de Regtspleging bij de Zeemagt te dien opzichte zijn vastgelegd, onderscheidenlijk voor de officieren-commissarissen, belast met de informatiën, voor de presidenten van de zeekrijgsraden en voor de zeekrijgsraden.
3. Bij het onderzoek, zoowel het voorloopige als het hoofdonderzoek, kunnen zij, die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, zich van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoonen, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.
2. Voor de in het eerste lid bedoelde officieren, voor de voorzitters der Marineraden en voor de Marineraden gelden, met betrekking tot het te houden onderzoek, dezelfde bevoegdheden en verplichtingen, als in de Regtspleging bij de Zeemagt te dien opzichte zijn vastgelegd, onderscheidenlijk voor de officieren-commissarissen, belast met de informatiën, voor de presidenten van de zeekrijgsraden en voor de zeekrijgsraden.
3. Bij het onderzoek, zoowel het voorloopige als het hoofdonderzoek, kunnen zij, die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, zich van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoonen, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.