BWBR0053110
Geldig vanaf 17-09-2026
Artikel 9
Tijdelijke subsidieregeling Stimulering Duurzame Luchtvaartbrandstoffen
1. De subsidieontvanger van een realisatieproject is verplicht de productiefaciliteit gedurende 120 maanden na de datum van inbedrijfstelling in bedrijf te houden en gedurende deze periode duurzame luchtvaartbrandstoffen te produceren. Dit geldt vanaf de datum waarop de productiefaciliteit voor het eerste operationeel is en op structurele wijze het productieproces waarvoor subsidie is verleend kan uitvoeren.
2. De subsidieontvanger houdt gedurende de in het eerste lid bedoelde periode een administratie bij en verstrekt jaarlijks aan de minister een opgave van de relevante gegevens over het afgelopen boekjaar, voorzien van onafhankelijke beoordeling. Uit deze opgave blijkt ten minste het volgende:
a. het totale volume geproduceerde brandstoffen van het afgelopen boekjaar, in kiloton;
b. het volume geproduceerde e-SAF, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
c. het volume geproduceerde geavanceerde bioSAF, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
d. het volume geproduceerde koolstofarme brandstoffen, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
e. volume overige brandstoffen, als onderdeel van het totaal, in kton, inclusief aanduiding van het type brandstof.
3. De onafhankelijke beoordeling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de minister vastgestelde en gepubliceerde systematiek.
4. Voor productiefaciliteiten die e-SAF produceren en waarvoor een beschikking tot subsidieverlening is verleend, geldt dat het gedeelte van de productie dat geen e-SAF is, uitsluitend mag bestaan uit hetzij geavanceerde bio-SAF, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hetzij uit koolstofarme brandstoffen, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.
5. Indien het gemiddelde aandeel gerealiseerde e-SAF, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, berekend voor de periode van honderdtwintig maanden, lager is dan 80%, of wanneer er sprake is van de productie van overige brandstoffen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, wordt het vastgestelde subsidiebedrag verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vastgestelde bedrag:
a. 1% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 90% tot 100%, waarbij het aandeel overige brandstoffen groter is dan 0% en kleiner dan 10%;
b. 3% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 80% tot 90%, waarbij het aandeel overige brandstoffen groter is dan 10%;
c. 5% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 70% tot 80%;
d. 10% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 60% tot 70%;
e. 20% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 50% tot 60%;
f. 50% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 30% tot 50%;
g. 100% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 0% tot 30%.
6. Indien het gemiddelde aandeel gerealiseerde geavanceerde bio-SAF, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, berekend voor de periode van honderdtwintig maanden, lager is dan 100%, wordt het vastgestelde subsidiebedrag verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vastgestelde bedrag:
a. 20% bij een gemiddeld aandeel van 80% tot 100%;
b. 40% bij een gemiddeld aandeel van 60% tot 80%;
c. 60% bij een gemiddeld aandeel van 40% tot 60%;
d. 80% bij een gemiddeld aandeel van 20% tot 40%;
e. 100% bij een gemiddeld aandeel van 0% tot 20%.
7. Indien de subsidieontvanger zowel e-SAF als geavanceerde bio-SAF produceert, wordt de verlaging, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar rato toegepast op het deel van het subsidiebedrag dat overeenkomt met het aandeel van het desbetreffende type SAF in het totale gerealiseerde productievolume.
8. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden die buiten de controle liggen van de aanvrager en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.
2. De subsidieontvanger houdt gedurende de in het eerste lid bedoelde periode een administratie bij en verstrekt jaarlijks aan de minister een opgave van de relevante gegevens over het afgelopen boekjaar, voorzien van onafhankelijke beoordeling. Uit deze opgave blijkt ten minste het volgende:
a. het totale volume geproduceerde brandstoffen van het afgelopen boekjaar, in kiloton;
b. het volume geproduceerde e-SAF, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
c. het volume geproduceerde geavanceerde bioSAF, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
d. het volume geproduceerde koolstofarme brandstoffen, als onderdeel van het totaal, in kiloton;
e. volume overige brandstoffen, als onderdeel van het totaal, in kton, inclusief aanduiding van het type brandstof.
3. De onafhankelijke beoordeling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de minister vastgestelde en gepubliceerde systematiek.
4. Voor productiefaciliteiten die e-SAF produceren en waarvoor een beschikking tot subsidieverlening is verleend, geldt dat het gedeelte van de productie dat geen e-SAF is, uitsluitend mag bestaan uit hetzij geavanceerde bio-SAF, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, hetzij uit koolstofarme brandstoffen, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d.
5. Indien het gemiddelde aandeel gerealiseerde e-SAF, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, berekend voor de periode van honderdtwintig maanden, lager is dan 80%, of wanneer er sprake is van de productie van overige brandstoffen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, wordt het vastgestelde subsidiebedrag verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vastgestelde bedrag:
a. 1% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 90% tot 100%, waarbij het aandeel overige brandstoffen groter is dan 0% en kleiner dan 10%;
b. 3% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 80% tot 90%, waarbij het aandeel overige brandstoffen groter is dan 10%;
c. 5% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 70% tot 80%;
d. 10% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 60% tot 70%;
e. 20% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 50% tot 60%;
f. 50% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 30% tot 50%;
g. 100% bij een gemiddeld aandeel e-SAF van 0% tot 30%.
6. Indien het gemiddelde aandeel gerealiseerde geavanceerde bio-SAF, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, berekend voor de periode van honderdtwintig maanden, lager is dan 100%, wordt het vastgestelde subsidiebedrag verlaagd overeenkomstig de volgende percentages van het vastgestelde bedrag:
a. 20% bij een gemiddeld aandeel van 80% tot 100%;
b. 40% bij een gemiddeld aandeel van 60% tot 80%;
c. 60% bij een gemiddeld aandeel van 40% tot 60%;
d. 80% bij een gemiddeld aandeel van 20% tot 40%;
e. 100% bij een gemiddeld aandeel van 0% tot 20%.
7. Indien de subsidieontvanger zowel e-SAF als geavanceerde bio-SAF produceert, wordt de verlaging, bedoeld in het vijfde en zesde lid, naar rato toegepast op het deel van het subsidiebedrag dat overeenkomt met het aandeel van het desbetreffende type SAF in het totale gerealiseerde productievolume.
8. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden die buiten de controle liggen van de aanvrager en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.
- Citeren als
- Art. 9
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0053110
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl