BWBR0051149
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 7
Wet onverplichte tegemoetkoming onterechte afwijzing buitengerechtelijke schuldregeling
1. De ontvanger kent de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, ambtshalve toe aan de nabestaanden, indien de belanghebbende, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is overleden voordat de tegemoetkoming waarop deze overledene recht zou hebben bij leven aan hem is toegekend.
2. Indien meerdere kinderen op grond van het eerste lid aanspraak maken op de tegemoetkoming, wordt het bedrag verdeeld naar evenredigheid van het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die tegemoetkoming.
3. Nabestaanden die niet bekend zijn bij de ontvanger kunnen een gemotiveerde aanvraag doen tot toekenning van de tegemoetkoming.
4. Bij de toepassing van het derde lid is de hoogte van de tegemoetkoming gelijk aan het bedrag dat aan een andere nabestaande van de overledene op grond van het eerste lid of derde lid is toegekend. Indien bij toepassing van het derde lid nog geen tegemoetkoming is uitgekeerd aan een andere nabestaande van de overledene op grond van het eerste of derde lid, wordt het bedrag van de tegemoetkoming naar evenredigheid verdeeld over de nabestaanden die op grond van het eerste lid in aanmerking komen en waarbij de tegemoetkoming nog niet aan die nabestaanden is toegekend en de nabestaanden die op grond van het derde lid een aanvraag tot toekenning van de tegemoetkoming hebben gedaan en de ontvanger op die verzoeken nog geen besluit heeft genomen.
2. Indien meerdere kinderen op grond van het eerste lid aanspraak maken op de tegemoetkoming, wordt het bedrag verdeeld naar evenredigheid van het aantal kinderen dat in aanmerking komt voor die tegemoetkoming.
3. Nabestaanden die niet bekend zijn bij de ontvanger kunnen een gemotiveerde aanvraag doen tot toekenning van de tegemoetkoming.
4. Bij de toepassing van het derde lid is de hoogte van de tegemoetkoming gelijk aan het bedrag dat aan een andere nabestaande van de overledene op grond van het eerste lid of derde lid is toegekend. Indien bij toepassing van het derde lid nog geen tegemoetkoming is uitgekeerd aan een andere nabestaande van de overledene op grond van het eerste of derde lid, wordt het bedrag van de tegemoetkoming naar evenredigheid verdeeld over de nabestaanden die op grond van het eerste lid in aanmerking komen en waarbij de tegemoetkoming nog niet aan die nabestaanden is toegekend en de nabestaanden die op grond van het derde lid een aanvraag tot toekenning van de tegemoetkoming hebben gedaan en de ontvanger op die verzoeken nog geen besluit heeft genomen.