BWBR0051149
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 5
Wet onverplichte tegemoetkoming onterechte afwijzing buitengerechtelijke schuldregeling
1. De ontvanger verleent ambtshalve kwijtschelding van het op de datum van inwerkingtreding van deze wet openstaande bedrag van een belastingaanslag van de belastingschuldige die in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, en ten aanzien van wie tussen de dagtekening van de onterechte afwijzingsbrief en datum van inwerkingtreding van deze wet:
a. geen buitengerechtelijke schuldregeling tot stand is gekomen of niet de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in titel III van de Faillissementswet, is aangevangen; of
b. een buitengerechtelijke schuldregeling of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in titel III van de Faillissementswet, is aangevangen die niet voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is afgerond.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien:
a. namens de belanghebbende is verzocht om een heroverweging van de afwijzing, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en die afwijzing bij de heroverweging heeft standgehouden ingevolge een grond voor afwijzing die niet is genoemd in artikel 2, eerste lid, en de reden voor de afwijzing is opgenomen in de tweede afwijzingsbrief;
b. namens de belanghebbende op een later moment een nieuw verzoek tot medewerking aan een buitengerechtelijke schuldenregeling of een nieuw stabilisatieverzoek, waarbij de ontvanger dit verzoek heeft behandeld als een verzoek tot medewerking aan een buitengerechtelijke schuldregeling, is gedaan en dit verzoek is afgewezen, waarbij een grond voor afwijzing is aangevoerd die niet is genoemd in artikel 2, eerste lid, en deze grond is opgenomen in de tweede afwijzingsbrief; of
c. naar aanleiding van de beslissing van de ontvanger om geen medewerking te verlenen aan een buitengerechtelijke schuldregeling de belanghebbende aan de rechtbank het verzoek heeft gedaan om de ontvanger te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling en de rechtbank dit verzoek heeft afgewezen op basis van een andere grond dan genoemd in artikel 2, eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op belastingaanslagen die niet voor de datum van inwerkingtreding van deze wet bekend zijn gemaakt en betrekking hebben op een tijdvak dat is geëindigd, dan wel zien op een tijdvak dat is aangevangen, voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.
4. De ontvanger verleent de belanghebbende die op grond van artikel 49 van de Invorderingswet 1990aansprakelijk is gesteld voor rijksbelastingen of voor andere bedragen, als bedoeld in het eerste en derde lid, ontslag van de verplichting tot betaling van die belastingen of bedragen.
5. In afwijking van het eerste en derde lid verleent de ontvanger kwijtschelding van een voorlopige aanslag nadat de aanslag over hetzelfde tijdvak is opgelegd en bekendgemaakt.
a. geen buitengerechtelijke schuldregeling tot stand is gekomen of niet de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in titel III van de Faillissementswet, is aangevangen; of
b. een buitengerechtelijke schuldregeling of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in titel III van de Faillissementswet, is aangevangen die niet voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is afgerond.
2. Het eerste lid vindt geen toepassing indien:
a. namens de belanghebbende is verzocht om een heroverweging van de afwijzing, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en die afwijzing bij de heroverweging heeft standgehouden ingevolge een grond voor afwijzing die niet is genoemd in artikel 2, eerste lid, en de reden voor de afwijzing is opgenomen in de tweede afwijzingsbrief;
b. namens de belanghebbende op een later moment een nieuw verzoek tot medewerking aan een buitengerechtelijke schuldenregeling of een nieuw stabilisatieverzoek, waarbij de ontvanger dit verzoek heeft behandeld als een verzoek tot medewerking aan een buitengerechtelijke schuldregeling, is gedaan en dit verzoek is afgewezen, waarbij een grond voor afwijzing is aangevoerd die niet is genoemd in artikel 2, eerste lid, en deze grond is opgenomen in de tweede afwijzingsbrief; of
c. naar aanleiding van de beslissing van de ontvanger om geen medewerking te verlenen aan een buitengerechtelijke schuldregeling de belanghebbende aan de rechtbank het verzoek heeft gedaan om de ontvanger te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling en de rechtbank dit verzoek heeft afgewezen op basis van een andere grond dan genoemd in artikel 2, eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op belastingaanslagen die niet voor de datum van inwerkingtreding van deze wet bekend zijn gemaakt en betrekking hebben op een tijdvak dat is geëindigd, dan wel zien op een tijdvak dat is aangevangen, voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.
4. De ontvanger verleent de belanghebbende die op grond van artikel 49 van de Invorderingswet 1990aansprakelijk is gesteld voor rijksbelastingen of voor andere bedragen, als bedoeld in het eerste en derde lid, ontslag van de verplichting tot betaling van die belastingen of bedragen.
5. In afwijking van het eerste en derde lid verleent de ontvanger kwijtschelding van een voorlopige aanslag nadat de aanslag over hetzelfde tijdvak is opgelegd en bekendgemaakt.