BWBR0051069
Geldig vanaf 2025-08-19
Artikel 11
Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed 2025
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 12en 13 van het Kaderbesluit, wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, af voor zover:
a. de activiteiten zullen worden verricht in maatschappelijk vastgoed dat niet is gelegen in Nederland;
b. het maatschappelijk vastgoed na het uitvoeren van de maatregelen een andere bestemming dan maatschappelijk vastgoed krijgt;
c. reeds een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van deze regeling of van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed is verstrekt, of aangevraagd en nog niet afgewezen;
d. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten door een bestuursorgaan van de Staat, tenzij de subsidie een lening betreft;
e. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten en subsidiëring op grond van artikel 3, onderdeel a, zou leiden tot een totale subsidie, exclusief leningen, van meer dan 50% van de kosten van deze activiteiten, of een totale subsidie, inclusief leningen, van meer dan 100% van de kosten van deze activiteiten;
f. de subsidie betrekking heeft op een bovenlokale onderneming of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een bovenlokale onderneming, tenzij de subsidie gerechtvaardigd wordt door de de-minimisverordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening;
g. sprake is van een onderneming die inkomsten- of vennootschapsbelastingplichtig is in Nederland en in aanmerking komt voor aftrekposten en fiscale regelingen;
h. de subsidie wordt aangevraagd voor de projectkosten en energielabelkosten bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en c, als de bijbehorende activiteiten zijn uitgevoerd voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor subsidie;
i. de subsidie wordt aangevraagd voor investeringen die worden gedaan om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan reeds vastgestelde Europese regelgeving;
j. de subsidie wordt aangevraagd voor erkende maatregelen of het installeren van een energiebeheerssysteem voor maatschappelijk vastgoed ter voldoening aan de energiebesparingsplicht, bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
k. de subsidie wordt aangevraagd voor maatschappelijk vastgoed of gedeelten daarvan met een woonfunctie als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, tenzij het maatschappelijk vastgoed in eigendom is van een zorgaanbieder;
l. de subsidie wordt aangevraagd voor een gebouw of gedeelte daarvan, waarvan een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, en dat niet beschikt over een geldig energielabel, of als voor dat gebouw subsidie wordt aangevraagd voor de energielabelkosten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c;
m. de subsidie wordt aangevraagd voor een kantoorgebouw dat niet beschikt over ten minste energielabel C, tenzij de energielabel C-verplichting niet van toepassing is ingevolge artikelen 3.87 en 3.87a van het Besluit bouwwerken leefomgeving of het kantoorgebouw ingevolge deze artikelen van de verplichting is uitgezonderd;
n. de subsidie staatssteun bevat, tenzij deze wordt gerechtvaardigd door de reguliere de-minimisverordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
o. op grond van artikel 3, onderdeel a, van deze regeling of van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed: 1°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds tweemaal eerder of tijdens dezelfde aanvraagperiode een subsidie is verstrekt; of
2°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds een subsidie is aangevraagd maar nog niet vastgesteld of afgewezen.
1°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds tweemaal eerder of tijdens dezelfde aanvraagperiode een subsidie is verstrekt; of
2°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds een subsidie is aangevraagd maar nog niet vastgesteld of afgewezen.
2. In aanvulling op het eerste lid wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, die gerechtvaardigd wordt door de de-minimisverordening af voor zover:
a. op een andere manier reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten;
b. de onderneming het vastgoed gebruikt voor de primaire productie van landbouw-, visserij- of aquacultuurproducten; of
c. de subsidie het steunplafond overschrijdt uit artikel 3, tweede lid, van de reguliere de-minimisverordening, van 300.000 euro over een periode van drie jaar.
3. In aanvulling op het eerste lid wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, die gerechtvaardigd wordt door de algemene groepsvrijstellingsverordening af voor zover:
a. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten;
b. de onderneming het vastgoed gebruikt voor de primaire productie van landbouw-, visserij- of aquacultuurproducten;
c. de onderneming een onderneming in moeilijkheden betreft als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
d. maatregelen voor de verbetering van energie-efficiëntie in het gebouw worden gesubsidieerd en de maatregelen: 1. één type onderdeel van een gebouw betreffen en niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 10%; of
2. niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%.
1. één type onderdeel van een gebouw betreffen en niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 10%; of
2. niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%.
a. de activiteiten zullen worden verricht in maatschappelijk vastgoed dat niet is gelegen in Nederland;
b. het maatschappelijk vastgoed na het uitvoeren van de maatregelen een andere bestemming dan maatschappelijk vastgoed krijgt;
c. reeds een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van deze regeling of van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed is verstrekt, of aangevraagd en nog niet afgewezen;
d. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten door een bestuursorgaan van de Staat, tenzij de subsidie een lening betreft;
e. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten en subsidiëring op grond van artikel 3, onderdeel a, zou leiden tot een totale subsidie, exclusief leningen, van meer dan 50% van de kosten van deze activiteiten, of een totale subsidie, inclusief leningen, van meer dan 100% van de kosten van deze activiteiten;
f. de subsidie betrekking heeft op een bovenlokale onderneming of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een bovenlokale onderneming, tenzij de subsidie gerechtvaardigd wordt door de de-minimisverordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening;
g. sprake is van een onderneming die inkomsten- of vennootschapsbelastingplichtig is in Nederland en in aanmerking komt voor aftrekposten en fiscale regelingen;
h. de subsidie wordt aangevraagd voor de projectkosten en energielabelkosten bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a en c, als de bijbehorende activiteiten zijn uitgevoerd voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor subsidie;
i. de subsidie wordt aangevraagd voor investeringen die worden gedaan om ervoor te zorgen dat voldaan wordt aan reeds vastgestelde Europese regelgeving;
j. de subsidie wordt aangevraagd voor erkende maatregelen of het installeren van een energiebeheerssysteem voor maatschappelijk vastgoed ter voldoening aan de energiebesparingsplicht, bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
k. de subsidie wordt aangevraagd voor maatschappelijk vastgoed of gedeelten daarvan met een woonfunctie als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, tenzij het maatschappelijk vastgoed in eigendom is van een zorgaanbieder;
l. de subsidie wordt aangevraagd voor een gebouw of gedeelte daarvan, waarvan een gebruiksoppervlakte van meer dan 250 m2 in gebruik is bij een overheidsinstelling en dat veelvuldig door het publiek wordt bezocht, en dat niet beschikt over een geldig energielabel, of als voor dat gebouw subsidie wordt aangevraagd voor de energielabelkosten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c;
m. de subsidie wordt aangevraagd voor een kantoorgebouw dat niet beschikt over ten minste energielabel C, tenzij de energielabel C-verplichting niet van toepassing is ingevolge artikelen 3.87 en 3.87a van het Besluit bouwwerken leefomgeving of het kantoorgebouw ingevolge deze artikelen van de verplichting is uitgezonderd;
n. de subsidie staatssteun bevat, tenzij deze wordt gerechtvaardigd door de reguliere de-minimisverordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening; of
o. op grond van artikel 3, onderdeel a, van deze regeling of van de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed: 1°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds tweemaal eerder of tijdens dezelfde aanvraagperiode een subsidie is verstrekt; of
2°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds een subsidie is aangevraagd maar nog niet vastgesteld of afgewezen.
1°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds tweemaal eerder of tijdens dezelfde aanvraagperiode een subsidie is verstrekt; of
2°. voor hetzelfde maatschappelijk vastgoed reeds een subsidie is aangevraagd maar nog niet vastgesteld of afgewezen.
2. In aanvulling op het eerste lid wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, die gerechtvaardigd wordt door de de-minimisverordening af voor zover:
a. op een andere manier reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten;
b. de onderneming het vastgoed gebruikt voor de primaire productie van landbouw-, visserij- of aquacultuurproducten; of
c. de subsidie het steunplafond overschrijdt uit artikel 3, tweede lid, van de reguliere de-minimisverordening, van 300.000 euro over een periode van drie jaar.
3. In aanvulling op het eerste lid wijst de minister een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, onderdeel a, die gerechtvaardigd wordt door de algemene groepsvrijstellingsverordening af voor zover:
a. reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten;
b. de onderneming het vastgoed gebruikt voor de primaire productie van landbouw-, visserij- of aquacultuurproducten;
c. de onderneming een onderneming in moeilijkheden betreft als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
d. maatregelen voor de verbetering van energie-efficiëntie in het gebouw worden gesubsidieerd en de maatregelen: 1. één type onderdeel van een gebouw betreffen en niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 10%; of
2. niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%.
1. één type onderdeel van een gebouw betreffen en niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 10%; of
2. niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%.