BWBR0050794
Geldig vanaf 2025-10-16
Artikel 9
Subsidieregeling School en Omgeving 2025–2028
1. In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, van de Kaderregelingwordt de subsidie verleend binnen 13 weken na afloop van de periode waarin de aanvragen kunnen worden ingediend.
2. Onverminderd de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4 van de Kaderregeling, verstrekt de minister in het in het derde lid bedoelde geval de subsidies onder de opschortende voorwaarde dat het voorstel van wet tot wijziging van het voorstel van wet tot Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2025 (Kamerstukken 36 600 VIII) tot wet wordt verheven en in werking treedt en dat uiterlijk op 1 juni 2025 onder toepassing van artikel 2.26 van de Comptabiliteitswet 2016, een voorstel van wet tot wijziging van die wet wordt ingediend, waarbij voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor de verstrekking van de subsidies en is voorzien in een kasritme dat de uitbetaling van de subsidies aan de hand van het in het zevende lid bedoelde betaalritme mogelijk maakt.
3. De minister verstrekt een subsidie onder de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde, indien de subsidie wordt verstrekt ten laste van een voor subsidieverstrekking beschikbaar bedrag als bedoeld in artikel 6, eerste lid, terwijl van dat voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag voor de hoger gerangschikte aanvragen reeds een bedrag is aangewend van:
a. ten minste € 421.513.267,– voor aanvragen voor het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal onderwijs, het speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
b. ten minste € 254.050.846,– voor aanvragen voor het voortgezet onderwijs, niet zijnde praktijkonderwijs;
c. ten minste € 33.403.081,– voor aanvragen voor het speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
d. ten minste € 25.125.908,– voor aanvragen voor het praktijkonderwijs.
4. Indien de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde op het moment van subsidieverstrekking reeds is vervuld, wordt de subsidie zonder deze opschortende voorwaarde verstrekt, met dien verstande dat dit de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4 van de Kaderregeling, onverlet laat.
5. Indien op het moment van subsidieverstrekking vaststaat dat de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde niet zal worden vervuld, wijst de minister de aanvragen als bedoeld in het derde lid af. Indien na het moment van subsidieverstrekking komt vast te staan dat de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde niet zal worden vervuld, stelt de minister de reeds onder opschortende voorwaarde verstrekte subsidies op nihil vast.
6. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
7. De minister verstrekt een voorschot van 100 procent. Het betaalritme bestaat uit vier betalingen en vindt als volgt plaats:
a. de eerste betaling in september 2025, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2025–2026 betreft;
b. de tweede betaling in januari 2026, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2025- 2026 en 50 procent van het budget voor schooljaar 2026–2027 betreft;
c. de derde betaling in januari 2027, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2026- 2027 en 50 procent van schooljaar 2027–2028 betreft;
d. de vierde betaling in januari 2028, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2027–2028 betreft.
8. Indien tussentijds omhoog wordt bijgesteld, als bedoeld in artikel 6 derde lid, vindt er een extra betaling plaats in september 2026, die het aanvullende budget voor 50 procent van schooljaar 2026–2027 betreft.
2. Onverminderd de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4 van de Kaderregeling, verstrekt de minister in het in het derde lid bedoelde geval de subsidies onder de opschortende voorwaarde dat het voorstel van wet tot wijziging van het voorstel van wet tot Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2025 (Kamerstukken 36 600 VIII) tot wet wordt verheven en in werking treedt en dat uiterlijk op 1 juni 2025 onder toepassing van artikel 2.26 van de Comptabiliteitswet 2016, een voorstel van wet tot wijziging van die wet wordt ingediend, waarbij voldoende middelen beschikbaar worden gesteld voor de verstrekking van de subsidies en is voorzien in een kasritme dat de uitbetaling van de subsidies aan de hand van het in het zevende lid bedoelde betaalritme mogelijk maakt.
3. De minister verstrekt een subsidie onder de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde, indien de subsidie wordt verstrekt ten laste van een voor subsidieverstrekking beschikbaar bedrag als bedoeld in artikel 6, eerste lid, terwijl van dat voor subsidieverstrekking beschikbare bedrag voor de hoger gerangschikte aanvragen reeds een bedrag is aangewend van:
a. ten minste € 421.513.267,– voor aanvragen voor het primair onderwijs, met uitzondering van het speciaal onderwijs, het speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
b. ten minste € 254.050.846,– voor aanvragen voor het voortgezet onderwijs, niet zijnde praktijkonderwijs;
c. ten minste € 33.403.081,– voor aanvragen voor het speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;
d. ten minste € 25.125.908,– voor aanvragen voor het praktijkonderwijs.
4. Indien de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde op het moment van subsidieverstrekking reeds is vervuld, wordt de subsidie zonder deze opschortende voorwaarde verstrekt, met dien verstande dat dit de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4 van de Kaderregeling, onverlet laat.
5. Indien op het moment van subsidieverstrekking vaststaat dat de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde niet zal worden vervuld, wijst de minister de aanvragen als bedoeld in het derde lid af. Indien na het moment van subsidieverstrekking komt vast te staan dat de in het tweede lid bedoelde opschortende voorwaarde niet zal worden vervuld, stelt de minister de reeds onder opschortende voorwaarde verstrekte subsidies op nihil vast.
6. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.
7. De minister verstrekt een voorschot van 100 procent. Het betaalritme bestaat uit vier betalingen en vindt als volgt plaats:
a. de eerste betaling in september 2025, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2025–2026 betreft;
b. de tweede betaling in januari 2026, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2025- 2026 en 50 procent van het budget voor schooljaar 2026–2027 betreft;
c. de derde betaling in januari 2027, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2026- 2027 en 50 procent van schooljaar 2027–2028 betreft;
d. de vierde betaling in januari 2028, die 50 procent van het budget voor schooljaar 2027–2028 betreft.
8. Indien tussentijds omhoog wordt bijgesteld, als bedoeld in artikel 6 derde lid, vindt er een extra betaling plaats in september 2026, die het aanvullende budget voor 50 procent van schooljaar 2026–2027 betreft.