BWBR0048156
Geldig vanaf 2025-10-01
Artikel 7
Wet digitale overheid
1. Bestuursorganen accepteren bij hun elektronische dienstverlening aan natuurlijke personen waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is, uitsluitend:
a. alle toegelaten identificatiemiddelen,
b. elektronische verklaringen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, en
c. alle identificatiemiddelen die behoren tot een door een lidstaat van de Europese Unie ingevolge de eIDAS-verordening bij de Europese Commissie aangemeld en goedgekeurd stelsel.
2. Aangewezen organisaties en rechterlijke instanties accepteren bij hun elektronische dienstverlening aan natuurlijke personen waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is uitsluitend:
a. alle toegelaten identificatiemiddelen,
b. elektronische verklaringen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, en
c. onverminderd het bepaalde in artikel 6 van de eIDAS-verordening, alle identificatiemiddelen die behoren tot een door een lidstaat van de Europese Unie ingevolge de eIDAS-verordening bij de Europese Commissie aangemeld en goedgekeurd stelsel indien dit is bepaald bij besluit van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat.
3. In afwijking van het in het eerste en tweede lid bepaalde, accepteren bestuursorganen, aangewezen organisaties en rechterlijke instanties bij hun dienstverlening aan een natuurlijk persoon alle erkende bedrijfs- en organisatiemiddelen, indien en voor zover dat middel wordt gebruikt in de toegang van een door die natuurlijke persoon gemachtigde houder die met dat middel handelt namens een onderneming of rechtspersoon.
4. Een bestuursorgaan, aangewezen organisatie of rechterlijke instantie kan volgens bij ministeriële regeling te stellen regels voor een welbepaalde doelgroep afwijken van het gestelde in het eerste lid, onderdeel a, respectievelijk het tweede lid onderdeel a, indien acceptatie van niet-toegelaten identificatiemiddelen onder uitsluiting van toegelaten identificatiemiddelen noodzakelijk is gelet op de aard van de dienstverlening of de aard van de doelgroep.
5. Bestuursorganen en aangewezen organisaties accepteren bij hun elektronische dienstverlening aan natuurlijke personen in de uitoefening van beroep of bedrijf waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is, ook een toegelaten identificatiemiddel indien en voor zover dit bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat is bepaald.
a. alle toegelaten identificatiemiddelen,
b. elektronische verklaringen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, en
c. alle identificatiemiddelen die behoren tot een door een lidstaat van de Europese Unie ingevolge de eIDAS-verordening bij de Europese Commissie aangemeld en goedgekeurd stelsel.
2. Aangewezen organisaties en rechterlijke instanties accepteren bij hun elektronische dienstverlening aan natuurlijke personen waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is uitsluitend:
a. alle toegelaten identificatiemiddelen,
b. elektronische verklaringen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, en
c. onverminderd het bepaalde in artikel 6 van de eIDAS-verordening, alle identificatiemiddelen die behoren tot een door een lidstaat van de Europese Unie ingevolge de eIDAS-verordening bij de Europese Commissie aangemeld en goedgekeurd stelsel indien dit is bepaald bij besluit van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat.
3. In afwijking van het in het eerste en tweede lid bepaalde, accepteren bestuursorganen, aangewezen organisaties en rechterlijke instanties bij hun dienstverlening aan een natuurlijk persoon alle erkende bedrijfs- en organisatiemiddelen, indien en voor zover dat middel wordt gebruikt in de toegang van een door die natuurlijke persoon gemachtigde houder die met dat middel handelt namens een onderneming of rechtspersoon.
4. Een bestuursorgaan, aangewezen organisatie of rechterlijke instantie kan volgens bij ministeriële regeling te stellen regels voor een welbepaalde doelgroep afwijken van het gestelde in het eerste lid, onderdeel a, respectievelijk het tweede lid onderdeel a, indien acceptatie van niet-toegelaten identificatiemiddelen onder uitsluiting van toegelaten identificatiemiddelen noodzakelijk is gelet op de aard van de dienstverlening of de aard van de doelgroep.
5. Bestuursorganen en aangewezen organisaties accepteren bij hun elektronische dienstverlening aan natuurlijke personen in de uitoefening van beroep of bedrijf waarvoor authenticatie op betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog vereist is, ook een toegelaten identificatiemiddel indien en voor zover dit bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat is bepaald.