BWBR0048156
Geldig vanaf 2025-10-01
Artikel 14
Wet digitale overheid
1. Een erkenning kan op verzoek van de erkende dienst worden ingetrokken. De erkende dienst voegt bij zijn verzoek een beëindigingsplan. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen gesteld worden aan het beëindigingsplan.
2. Gelijktijdig met een besluit tot intrekking op verzoek kan Onze Minister de betrokken dienst de verplichting opleggen zijn activiteiten in de toegang van ondernemingen en rechtspersonen tot elektronische dienstverlening voort te zetten gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, voor zover dat nodig is om continuïteit van betrouwbare toegang door ondernemingen en rechtspersonen tot elektronische dienstverlening te borgen.
3. Onze Minister kan een erkenning intrekken of voor een bij dat besluit te bepalen periode schorsen indien niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11en 13, de aan een erkenning verbonden voorschriften of beperkingen, aan een krachtens artikel 13, vijfde lid, gegeven bindende aanwijzing of in geval van zwaarwegende redenen als bedoeld in artikel 11, achtste lid. Gelijktijdig met een besluit tot intrekking, kan Onze Minister de betrokken dienst de verplichting opleggen tot het opstellen van een beëindigingplan als bedoeld in het eerste lid.
4. Een erkenning kan op verzoek van de erkende dienst worden overgedragen op een andere rechtspersoon, voor zover die rechtspersoon voldoet aan de bij of krachtens artikel 13gestelde eisen. Onze Minister verleent geen toestemming voor overdracht indien daarmee naar zijn oordeel de daadwerkelijke mededinging wordt of dreigt te worden verstoord of indien de continuïteit van een betrouwbare toegang tot elektronische dienstverlening met erkende bedrijfs- en organisatiemiddelen als gevolg van die overdracht in het geding dreigt te komen.
5. Bij het besluit tot toestemming voor overdracht kan Onze Minister:
a. de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de oorspronkelijke erkenning, wijzigen en bepalen;
b. de verzoekende dienst de verplichting opleggen zijn activiteiten in de toegang van ondernemingen en rechtspersonen tot elektronische dienstverlening voort te zetten gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, voor zover dat nodig is om continuïteit van betrouwbare toegang door ondernemingen en rechtspersonen tot elektronische dienstverlening te borgen.
6. Met de intrekking van een erkenning van een middelenuitgever vervalt tevens de erkenning van de bedrijfs- en organisatiemiddelen die door die middelenuitgever worden uitgegeven.
7. De erkende dienst waarvan de erkenning wordt ingetrokken of overgedragen draagt er zorg voor dat alle door hem opgeslagen informatie en gegevens die noodzakelijk was voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor hij was erkend, worden overgedragen aan Onze Minister.
8. Van een besluit als bedoeld in dit artikel doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.
2. Gelijktijdig met een besluit tot intrekking op verzoek kan Onze Minister de betrokken dienst de verplichting opleggen zijn activiteiten in de toegang van ondernemingen en rechtspersonen tot elektronische dienstverlening voort te zetten gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, voor zover dat nodig is om continuïteit van betrouwbare toegang door ondernemingen en rechtspersonen tot elektronische dienstverlening te borgen.
3. Onze Minister kan een erkenning intrekken of voor een bij dat besluit te bepalen periode schorsen indien niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11en 13, de aan een erkenning verbonden voorschriften of beperkingen, aan een krachtens artikel 13, vijfde lid, gegeven bindende aanwijzing of in geval van zwaarwegende redenen als bedoeld in artikel 11, achtste lid. Gelijktijdig met een besluit tot intrekking, kan Onze Minister de betrokken dienst de verplichting opleggen tot het opstellen van een beëindigingplan als bedoeld in het eerste lid.
4. Een erkenning kan op verzoek van de erkende dienst worden overgedragen op een andere rechtspersoon, voor zover die rechtspersoon voldoet aan de bij of krachtens artikel 13gestelde eisen. Onze Minister verleent geen toestemming voor overdracht indien daarmee naar zijn oordeel de daadwerkelijke mededinging wordt of dreigt te worden verstoord of indien de continuïteit van een betrouwbare toegang tot elektronische dienstverlening met erkende bedrijfs- en organisatiemiddelen als gevolg van die overdracht in het geding dreigt te komen.
5. Bij het besluit tot toestemming voor overdracht kan Onze Minister:
a. de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de oorspronkelijke erkenning, wijzigen en bepalen;
b. de verzoekende dienst de verplichting opleggen zijn activiteiten in de toegang van ondernemingen en rechtspersonen tot elektronische dienstverlening voort te zetten gedurende een door Onze Minister te bepalen periode, voor zover dat nodig is om continuïteit van betrouwbare toegang door ondernemingen en rechtspersonen tot elektronische dienstverlening te borgen.
6. Met de intrekking van een erkenning van een middelenuitgever vervalt tevens de erkenning van de bedrijfs- en organisatiemiddelen die door die middelenuitgever worden uitgegeven.
7. De erkende dienst waarvan de erkenning wordt ingetrokken of overgedragen draagt er zorg voor dat alle door hem opgeslagen informatie en gegevens die noodzakelijk was voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor hij was erkend, worden overgedragen aan Onze Minister.
8. Van een besluit als bedoeld in dit artikel doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.