BWBR0046658
Geldig vanaf 2024-08-21
Artikel 22
Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027
Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:
a. kosten als bedoeld in artikel 64 van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen;
b. onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;
c. kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;
d. fooien en geschenken;
e. representatiekosten en representatievergoedingen;
f. kosten van ontspanningsactiviteiten ten behoeve van personeelsleden van het project;
g. schulden en kosten van schulden, rente op schulden, commissies voor het wisselen van geld, wisselkoersverliezen, dubieuze vorderingen, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en buitensporige of roekeloze uitgaven;
h. kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot subsidieverlening, met uitzondering van de kosten voor projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van het verzoek tot vaststelling tot aan het moment van indienen van dit verzoek;
i. bijdragen in natura ten behoeve van de cofinanciering van het project, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 13, vierde lid;
j. belasting over de toegevoegde waarde indien deze krachtens het nationale recht inzake belasting over de toegevoegde waarde terugvorderbaar is;
k. Kosten die reeds uit andere nationale of Europese middelen worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;
l. kosten van minder dan € 200, tenzij de minister met een lager bedrag instemt;
m. kosten als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Verordening ISF;
n. kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Verordening BMVI.
a. kosten als bedoeld in artikel 64 van de Verordening gemeenschappelijke bepalingen;
b. onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;
c. kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;
d. fooien en geschenken;
e. representatiekosten en representatievergoedingen;
f. kosten van ontspanningsactiviteiten ten behoeve van personeelsleden van het project;
g. schulden en kosten van schulden, rente op schulden, commissies voor het wisselen van geld, wisselkoersverliezen, dubieuze vorderingen, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en buitensporige of roekeloze uitgaven;
h. kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot subsidieverlening, met uitzondering van de kosten voor projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van het verzoek tot vaststelling tot aan het moment van indienen van dit verzoek;
i. bijdragen in natura ten behoeve van de cofinanciering van het project, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 13, vierde lid;
j. belasting over de toegevoegde waarde indien deze krachtens het nationale recht inzake belasting over de toegevoegde waarde terugvorderbaar is;
k. Kosten die reeds uit andere nationale of Europese middelen worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;
l. kosten van minder dan € 200, tenzij de minister met een lager bedrag instemt;
m. kosten als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de Verordening ISF;
n. kosten van activiteiten als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Verordening BMVI.