BWBR0046658
Geldig vanaf 2024-08-21
Artikel 10
Subsidieregeling AMIF, ISF en BMVI 2021–2027
Een aanvraag tot verlening van subsidie kan in ieder geval door de minister geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, indien:
a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;
b. de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;
c. onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;
d. onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;
e. onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;
f. onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn;
g. de bijdrage uit de Uniebegroting meer bedraagt dan het maximum als bedoeld in de specifieke verordeningen;
h. de overheidssteun voor het project hoger is dan het totale bedrag aan subsidiabele kosten;
i. onaannemelijk is dat subsidieaanvrager beschikt over operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;
j. anderszins op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen;
k. de subsidiabele kosten voor projecten op grond van artikel 4 minder dan € 400.000 bedragen, en voor projecten op grond van artikel 4a minder dan € 200.000 bedragen;
l. voor een subsidieaanvraag met betrekking tot een actie als bedoeld in bijlagen B en D, op grond van artikel 8, eerste lid, minder dan 60 punten worden toegekend.
a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;
b. de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;
c. onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;
d. onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;
e. onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;
f. onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn;
g. de bijdrage uit de Uniebegroting meer bedraagt dan het maximum als bedoeld in de specifieke verordeningen;
h. de overheidssteun voor het project hoger is dan het totale bedrag aan subsidiabele kosten;
i. onaannemelijk is dat subsidieaanvrager beschikt over operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;
j. anderszins op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen;
k. de subsidiabele kosten voor projecten op grond van artikel 4 minder dan € 400.000 bedragen, en voor projecten op grond van artikel 4a minder dan € 200.000 bedragen;
l. voor een subsidieaanvraag met betrekking tot een actie als bedoeld in bijlagen B en D, op grond van artikel 8, eerste lid, minder dan 60 punten worden toegekend.