BWBR0046418
Geldig vanaf 2022-04-01
Artikel 8
Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten
1. Een specifieke uitkering voor de verkenningsfase van een project of projectpakket bedraagt vijftig procent van de overeenkomstig artikel 7, eerste lid, geraamde, op grond van artikel 6, eerste en vierde lid, in aanmerking komende kosten.
2. Een specifieke uitkering voor de planuitwerkingsfase of de realisatiefase van een project of projectpakket is gebaseerd op de meest doelmatige variant van het project of projectpakket en bedraagt:
a. voor de planuitwerkingsfase van een project of projectpakket vijftig procent van de overeenkomstig artikel 7, tweede lid, geraamde, op grond van artikel 6, tweede en vierde lid, in aanmerking komende kosten;
b. voor de realisatiefase van een project honderd procent van de overeenkomstig artikel 7, derde lid, geraamde, op grond van artikel 6, derde en vierde lid, in aanmerking komende kosten die het drempelbedrag, bedoeld in het vierde lid, te boven gaan; en
c. voor de realisatiefase van een projectpakket vijfenzeventig procent van de overeenkomstig artikel 7, derde lid, geraamde, op grond van artikel 6, derde en vierde lid, in aanmerking komende kosten die het drempelbedrag, bedoeld in het vierde lid, te boven gaan.
3. De kosten van maatregelen als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfondskomen gedurende maximaal vijf jaren in aanmerking voor een specifieke uitkering.
4. Het drempelbedrag voor de overeenkomstig artikel 7geraamde en op grond van artikel 6in aanmerking komende kosten van de realisatiefase is 225 miljoen euro, indien het project of projectpakket geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd in het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en 112,5 miljoen euro, indien het project of projectpakket geheel wordt gerealiseerd buiten het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.
5. In afwijking van het tweede lid, onderdelen b of c, kan de minister voor het bepalen van de hoogte van de uitkering, bedoeld in die onderdelen besluiten een lager drempelbedrag te hanteren indien de aanvrager aantoont dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een onredelijke situatie voor hem tot gevolg hebben.
2. Een specifieke uitkering voor de planuitwerkingsfase of de realisatiefase van een project of projectpakket is gebaseerd op de meest doelmatige variant van het project of projectpakket en bedraagt:
a. voor de planuitwerkingsfase van een project of projectpakket vijftig procent van de overeenkomstig artikel 7, tweede lid, geraamde, op grond van artikel 6, tweede en vierde lid, in aanmerking komende kosten;
b. voor de realisatiefase van een project honderd procent van de overeenkomstig artikel 7, derde lid, geraamde, op grond van artikel 6, derde en vierde lid, in aanmerking komende kosten die het drempelbedrag, bedoeld in het vierde lid, te boven gaan; en
c. voor de realisatiefase van een projectpakket vijfenzeventig procent van de overeenkomstig artikel 7, derde lid, geraamde, op grond van artikel 6, derde en vierde lid, in aanmerking komende kosten die het drempelbedrag, bedoeld in het vierde lid, te boven gaan.
3. De kosten van maatregelen als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfondskomen gedurende maximaal vijf jaren in aanmerking voor een specifieke uitkering.
4. Het drempelbedrag voor de overeenkomstig artikel 7geraamde en op grond van artikel 6in aanmerking komende kosten van de realisatiefase is 225 miljoen euro, indien het project of projectpakket geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd in het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en 112,5 miljoen euro, indien het project of projectpakket geheel wordt gerealiseerd buiten het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.
5. In afwijking van het tweede lid, onderdelen b of c, kan de minister voor het bepalen van de hoogte van de uitkering, bedoeld in die onderdelen besluiten een lager drempelbedrag te hanteren indien de aanvrager aantoont dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een onredelijke situatie voor hem tot gevolg hebben.