BWBR0046418
Geldig vanaf 2022-04-01
Artikel 12
Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten
1. De minister kan bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na de dagtekening van het besluit te beginnen met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend.
2. De ontvanger legt een wijziging ten opzichte van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9, tweede, derde of vierde lid, tijdig voor instemming voor aan de minister, voor zover die wijziging van invloed is op de reikwijdte, effectiviteit, kosten, kwaliteit of voortgang van het project of projectpakket.
3. De ontvanger van een specifieke uitkering voor de verkenningsfase of de planuitwerkingsfase maakt binnen zes maanden na voltooiing van de fase hiervan melding aan de minister.
4. De ontvanger van een specifieke uitkering voor de realisatiefase maakt binnen een jaar nadat de infrastructuur in gebruik is genomen hiervan melding aan de minister. Indien de specifieke uitkering betrekking heeft op een projectpakket waarvan een maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfondsdeel uitmaakt, kan deze termijn op verzoek van de ontvanger worden verlengd tot zes maanden na de voltooiing van de maatregel.
5. Bij een melding als bedoeld in het derde of vierde lid, verstrekt de ontvanger een eindverantwoording over de in de fase behaalde resultaten.
6. Op verzoek van de ontvanger kan de minister de termijnen, bedoeld in het derde en vierde lid, met ten hoogste zes maanden verlengen.
7. Een ontvanger van een specifieke uitkering of een decentrale overheid die middelen ontvangt die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, werkt mee aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek ten behoeve van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de specifieke uitkering in de praktijk als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.
8. De minister kan bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de specifieke uitkering.
2. De ontvanger legt een wijziging ten opzichte van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9, tweede, derde of vierde lid, tijdig voor instemming voor aan de minister, voor zover die wijziging van invloed is op de reikwijdte, effectiviteit, kosten, kwaliteit of voortgang van het project of projectpakket.
3. De ontvanger van een specifieke uitkering voor de verkenningsfase of de planuitwerkingsfase maakt binnen zes maanden na voltooiing van de fase hiervan melding aan de minister.
4. De ontvanger van een specifieke uitkering voor de realisatiefase maakt binnen een jaar nadat de infrastructuur in gebruik is genomen hiervan melding aan de minister. Indien de specifieke uitkering betrekking heeft op een projectpakket waarvan een maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfondsdeel uitmaakt, kan deze termijn op verzoek van de ontvanger worden verlengd tot zes maanden na de voltooiing van de maatregel.
5. Bij een melding als bedoeld in het derde of vierde lid, verstrekt de ontvanger een eindverantwoording over de in de fase behaalde resultaten.
6. Op verzoek van de ontvanger kan de minister de termijnen, bedoeld in het derde en vierde lid, met ten hoogste zes maanden verlengen.
7. Een ontvanger van een specifieke uitkering of een decentrale overheid die middelen ontvangt die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, werkt mee aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek ten behoeve van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de specifieke uitkering in de praktijk als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.
8. De minister kan bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de specifieke uitkering.