BWBR0045606
Geldig vanaf 2025-06-11
Artikel 7
Regeling aanvullende bekostiging nieuwe scholen en samenvoeging vo
1. Het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap, die met ingang van 1 augustus 2021 of eerder is ontstaan uit een samenvoeging van twee of meer zelfstandige scholen of scholengemeenschappen, ontvangt in het eerste kalenderjaar na de samenvoeging aanvullende bekostiging voor personeelskosten en aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten.
2. Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, ontvangt in het tweede, derde, vierde en vijfde kalenderjaar na de samenvoeging respectievelijk 80 procent, 60 procent, 40 procent en 20 procent van de aanvullende bekostiging, berekend op grond van het derde en vierde lid. De hoogte van de aanvullende bekostiging wordt jaarlijks aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling in de bekostiging.
3. De aanvullende bekostiging voor personeelskosten is voor het eerste kalenderjaar na samenvoeging gelijk aan Xp-Yp, waarin:
Xp = de som van de bekostiging voor personeelskosten van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, berekend op grond van artikel 84, derde lid, jo. artikel 85 van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021, in het kalenderjaar na de samenvoeging, wanneer de samenvoeging niet zou hebben plaatsgevonden, en
Yp = de bekostiging voor personeelskosten van de samengevoegde school, berekend op grond van artikel 84, derde lid, jo. artikel 85 van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021, in het kalenderjaar na de samenvoeging.
4. De aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten is voor het eerste kalenderjaar na samenvoeging gelijk aan Xm-Ym, waarin:
Xm = de som van de bekostiging voor exploitatiekosten van alle bij de samenvoeging betrokken scholen in het kalenderjaar na de samenvoeging, wanneer de samenvoeging niet zou hebben plaatsgevonden, berekend op grond van artikel 86, derde lid, onderdeel a en b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021; en
Ym = de bekostiging voor exploitatiekosten van de gefuseerde school in het kalenderjaar na de samenvoeging, berekend op grond van artikel 86, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021.
5. In afwijking van het eerste lid komt een bevoegd gezag niet in aanmerking voor aanvullende bekostiging als op 1 augustus gelijktijdig met de samenvoeging één of meer van de bij de samenvoeging betrokken scholengemeenschappen tevens is betrokken bij een splitsing en er daarbij geen volledige scholengemeenschap wordt opgeheven. Indien er wel een volledige scholengemeenschap wordt opgeheven is de aanvullende bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten voor het eerste kalenderjaar na samenvoeging gelijk aan Zp+Zm, waarin:
Zp = de bekostiging voor personeelskosten van de opgeheven scholengemeenschap, berekend op grond van artikel 84, derde lid, jo. artikel 85 van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021 in het kalenderjaar na opheffing, wanneer de opheffing niet zou hebben plaatsgevonden, en
Zm = de bekostiging voor exploitatiekosten van de opgeheven scholengemeenschap, berekend op grond van artikel 86, derde lid, onderdeel a en b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021 in het kalenderjaar na de opheffing, wanneer de opheffing niet zou hebben plaatsgevonden.
6. De aanvullende bekostiging wordt in dit geval in gelijke delen verdeeld over de uit de samenvoeging resulterende scholen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de aanvullende bekostiging op grond van dit lid.
7. De aanvullende bekostiging wegens samenvoeging vervalt volledig indien een school, die is ontstaan uit een samenvoeging als bedoeld in het eerste lid, binnen vijf jaar een splitsing ondergaat. Dit geldt ook voor de eventuele aanvullende bekostiging in verband met een eerdere samenvoeging.
8. De minister beschikt de aanvullende bekostiging voor personeelskosten en exploitatiekosten voor 1 april van het kalenderjaar waarop de aanvullende bekostiging betrekking heeft. Zowel de betaling van de aanvullende bekostiging voor personeelskosten als de betaling van de aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten vindt plaats in één termijn per jaar die wordt uitbetaald voor 1 april van het kalenderjaar waarop de aanvullende bekostiging betrekking heeft.
2. Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, ontvangt in het tweede, derde, vierde en vijfde kalenderjaar na de samenvoeging respectievelijk 80 procent, 60 procent, 40 procent en 20 procent van de aanvullende bekostiging, berekend op grond van het derde en vierde lid. De hoogte van de aanvullende bekostiging wordt jaarlijks aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling in de bekostiging.
3. De aanvullende bekostiging voor personeelskosten is voor het eerste kalenderjaar na samenvoeging gelijk aan Xp-Yp, waarin:
Xp = de som van de bekostiging voor personeelskosten van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, berekend op grond van artikel 84, derde lid, jo. artikel 85 van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021, in het kalenderjaar na de samenvoeging, wanneer de samenvoeging niet zou hebben plaatsgevonden, en
Yp = de bekostiging voor personeelskosten van de samengevoegde school, berekend op grond van artikel 84, derde lid, jo. artikel 85 van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021, in het kalenderjaar na de samenvoeging.
4. De aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten is voor het eerste kalenderjaar na samenvoeging gelijk aan Xm-Ym, waarin:
Xm = de som van de bekostiging voor exploitatiekosten van alle bij de samenvoeging betrokken scholen in het kalenderjaar na de samenvoeging, wanneer de samenvoeging niet zou hebben plaatsgevonden, berekend op grond van artikel 86, derde lid, onderdeel a en b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021; en
Ym = de bekostiging voor exploitatiekosten van de gefuseerde school in het kalenderjaar na de samenvoeging, berekend op grond van artikel 86, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021.
5. In afwijking van het eerste lid komt een bevoegd gezag niet in aanmerking voor aanvullende bekostiging als op 1 augustus gelijktijdig met de samenvoeging één of meer van de bij de samenvoeging betrokken scholengemeenschappen tevens is betrokken bij een splitsing en er daarbij geen volledige scholengemeenschap wordt opgeheven. Indien er wel een volledige scholengemeenschap wordt opgeheven is de aanvullende bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten voor het eerste kalenderjaar na samenvoeging gelijk aan Zp+Zm, waarin:
Zp = de bekostiging voor personeelskosten van de opgeheven scholengemeenschap, berekend op grond van artikel 84, derde lid, jo. artikel 85 van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021 in het kalenderjaar na opheffing, wanneer de opheffing niet zou hebben plaatsgevonden, en
Zm = de bekostiging voor exploitatiekosten van de opgeheven scholengemeenschap, berekend op grond van artikel 86, derde lid, onderdeel a en b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidde op 1 augustus 2021 in het kalenderjaar na de opheffing, wanneer de opheffing niet zou hebben plaatsgevonden.
6. De aanvullende bekostiging wordt in dit geval in gelijke delen verdeeld over de uit de samenvoeging resulterende scholen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de aanvullende bekostiging op grond van dit lid.
7. De aanvullende bekostiging wegens samenvoeging vervalt volledig indien een school, die is ontstaan uit een samenvoeging als bedoeld in het eerste lid, binnen vijf jaar een splitsing ondergaat. Dit geldt ook voor de eventuele aanvullende bekostiging in verband met een eerdere samenvoeging.
8. De minister beschikt de aanvullende bekostiging voor personeelskosten en exploitatiekosten voor 1 april van het kalenderjaar waarop de aanvullende bekostiging betrekking heeft. Zowel de betaling van de aanvullende bekostiging voor personeelskosten als de betaling van de aanvullende bekostiging voor exploitatiekosten vindt plaats in één termijn per jaar die wordt uitbetaald voor 1 april van het kalenderjaar waarop de aanvullende bekostiging betrekking heeft.