BWBR0044265
Geldig vanaf 2021-01-01
Artikel 2.5
Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928
1. Een landgoed of een gedeelte daarvan al dan niet tijdelijk voor het publiek afsluiten staat de aanmerking als opengesteld landgoed niet in de weg in de volgende omstandigheden:
a. de naaste omgeving van huizen of boerderijen gelegen op het landgoed voor het publiek is afgesloten uit het oogpunt van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners;
b. een gedeelte, ter grootte van maximaal 15 procent, met inbegrip van een beperkte bufferzone, van een gerangschikt landgoed met een bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, is tijdelijk of permanent voor het publiek afgesloten, voor zover de afsluiting voor het behoud van die waarde noodzakelijk is;
c. het landgoed of een gedeelte daarvan kan ten behoeve van de uitoefening van de jacht, activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of activiteiten om schade door dieren te bestrijden, gedurende ten hoogste 7 dagen per jaar voor het publiek worden afgesloten;
d. het landgoed of een gedeelte daarvan kan tijdelijk worden afgesloten voor zover en voor zolang dat vanwege een calamiteit noodzakelijk is uit een oogpunt van veiligheid of gezondheid van mensen of dieren, waarbij de eigenaar van het landgoed alles in het werk stelt om de tijdelijke afsluiting zo snel mogelijk op te heffen.
2. Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde naaste omgeving van huizen of boerderijen worden begrepen de terreinen of gedeelten daarvan met daarop huizen en boerderijen met erven en bijbehorende aanliggende sier- en moestuinen en boomgaarden, die grotendeels bestemd zijn voor privégebruik.
3. Het eerste lid, onder a, is tevens van toepassing op buitenplaatsen die naar hun aard geschikt zijn voor openstelling voor het publiek, met dien verstande dat bij buitenplaatsen die groter zijn dan 2 hectare, met inachtneming van de situatie ter plaatse, 1 hectare kan worden afgesloten, en bij buitenplaatsen die kleiner zijn dan 2 hectare maar groter zijn dan 1 hectare, 0,5 hectare kan worden afgesloten.
4. Indien een landgoed of een gedeelte daarvan al dan niet tijdelijk voor het publiek is afgesloten in de in het eerste lid, onder a en b, genoemde omstandigheden, kan de afsluiting niet zover gaan dat deze daadwerkelijk de vrije toegankelijkheid voor het publiek van of naar de niet afgesloten gedeelten belemmert.
5. De al dan niet tijdelijke afsluiting van een landgoed of een gedeelte van een landgoed is voor het publiek duidelijk waarneembaar aangegeven met borden die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst.
6. Indien een landgoed of een gedeelte daarvan tijdelijk wordt afgesloten als een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid, onder d, zich voordoet, meldt de eigenaar van het landgoed de tijdelijke afsluiting en de verwachte duur daarvan volledig en onverwijld aan de Ministers.
a. de naaste omgeving van huizen of boerderijen gelegen op het landgoed voor het publiek is afgesloten uit het oogpunt van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners;
b. een gedeelte, ter grootte van maximaal 15 procent, met inbegrip van een beperkte bufferzone, van een gerangschikt landgoed met een bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, is tijdelijk of permanent voor het publiek afgesloten, voor zover de afsluiting voor het behoud van die waarde noodzakelijk is;
c. het landgoed of een gedeelte daarvan kan ten behoeve van de uitoefening van de jacht, activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of activiteiten om schade door dieren te bestrijden, gedurende ten hoogste 7 dagen per jaar voor het publiek worden afgesloten;
d. het landgoed of een gedeelte daarvan kan tijdelijk worden afgesloten voor zover en voor zolang dat vanwege een calamiteit noodzakelijk is uit een oogpunt van veiligheid of gezondheid van mensen of dieren, waarbij de eigenaar van het landgoed alles in het werk stelt om de tijdelijke afsluiting zo snel mogelijk op te heffen.
2. Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde naaste omgeving van huizen of boerderijen worden begrepen de terreinen of gedeelten daarvan met daarop huizen en boerderijen met erven en bijbehorende aanliggende sier- en moestuinen en boomgaarden, die grotendeels bestemd zijn voor privégebruik.
3. Het eerste lid, onder a, is tevens van toepassing op buitenplaatsen die naar hun aard geschikt zijn voor openstelling voor het publiek, met dien verstande dat bij buitenplaatsen die groter zijn dan 2 hectare, met inachtneming van de situatie ter plaatse, 1 hectare kan worden afgesloten, en bij buitenplaatsen die kleiner zijn dan 2 hectare maar groter zijn dan 1 hectare, 0,5 hectare kan worden afgesloten.
4. Indien een landgoed of een gedeelte daarvan al dan niet tijdelijk voor het publiek is afgesloten in de in het eerste lid, onder a en b, genoemde omstandigheden, kan de afsluiting niet zover gaan dat deze daadwerkelijk de vrije toegankelijkheid voor het publiek van of naar de niet afgesloten gedeelten belemmert.
5. De al dan niet tijdelijke afsluiting van een landgoed of een gedeelte van een landgoed is voor het publiek duidelijk waarneembaar aangegeven met borden die bij de toegangswegen tot het landgoed zijn geplaatst.
6. Indien een landgoed of een gedeelte daarvan tijdelijk wordt afgesloten als een gebeurtenis als bedoeld in het eerste lid, onder d, zich voordoet, meldt de eigenaar van het landgoed de tijdelijke afsluiting en de verwachte duur daarvan volledig en onverwijld aan de Ministers.