BWBR0044265
Geldig vanaf 2021-01-01
Artikel 2.3
Beleidsregel openstelling landgoederen Natuurschoonwet 1928
1. Om aangemerkt te worden als een opengesteld landgoed moeten de in artikel 2.2, eerste lid, bedoelde wegen en paden een minimale lengte hebben, bestaande uit de som van:
a. de arealen met houtopstanden bezette terreinen, vermenigvuldigd met de daarbij behorende normlengte van 50 meter per hectare; en
b. de arealen overige terreinen, vermenigvuldigd met de daarbij behorende normlengte van 25 meter per hectare.
2. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde minimale lengte van wegen en paden tellen de volgende wegen of paden niet mee:
a. doodlopende wegen en paden; en
b. de oppervlakte van terreinen of gedeelten van terreinen, daaronder begrepen vennen en plassen, die in verband met bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarden worden afgesloten voor het publiek.
a. de arealen met houtopstanden bezette terreinen, vermenigvuldigd met de daarbij behorende normlengte van 50 meter per hectare; en
b. de arealen overige terreinen, vermenigvuldigd met de daarbij behorende normlengte van 25 meter per hectare.
2. Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde minimale lengte van wegen en paden tellen de volgende wegen of paden niet mee:
a. doodlopende wegen en paden; en
b. de oppervlakte van terreinen of gedeelten van terreinen, daaronder begrepen vennen en plassen, die in verband met bijzondere natuurwetenschappelijke of cultuurhistorische waarden worden afgesloten voor het publiek.