BWBR0043564
Geldig vanaf 2021-04-13
Artikel 9
Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021
1. Indien de middelen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder c, ontoereikend zijn om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen toe te wijzen, wordt voorrang verleend aan instellingen die geen aanvraag hebben ingediend in het eerste aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a.
2. Indien de middelen, bedoeld in het eerste lid, ontoereikend zijn om alle aanvragen van de instellingen met voorrang toe te wijzen, worden de desbetreffende aanvragen door middel van loting gerangschikt.
3. Indien de toekenning van subsidie voor ten minste 90% van het aantal studenten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, een overschrijding van het desbetreffende subsidieplafond zou voorkomen, laat de minister de loting, bedoeld in het tweede lid, achterwege. In dat geval wordt binnen de grenzen van het desbetreffende subsidieplafond voor ten minste 90% van het aantal studenten waarvoor subsidie is aangevraagd de subsidie toegekend, met dien verstande dat de maximumbedragen per instelling, bedoeld in artikel 7, onverkort in acht worden genomen.
4. Indien na toepassing van het eerste lid binnen het desbetreffende subsidieplafond nog middelen resteren, worden de aanvragen voor de overige instellingen door middel van loting gerangschikt.
5. Indien de toekenning van subsidie voor ten minste 90% van het aantal studenten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, een overschrijding van het desbetreffende subsidieplafond zou voorkomen, laat de minister de loting, bedoeld in het vierde lid, achterwege. In dat geval wordt binnen de grenzen van het desbetreffende subsidieplafond voor ten minste 90% van het aantal studenten waarvoor subsidie is aangevraagd de subsidie toegekend, met dien verstande dat de maximumbedragen per instelling, bedoeld in artikel 7, onverkort in acht worden genomen.
6. Indien sprake is van een derde aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, en artikel 5, vierde lid, of een tweede aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder b, en artikel 5a, tweede lid, worden de aanvragen op volgorde van binnenkomst gerangschikt.
2. Indien de middelen, bedoeld in het eerste lid, ontoereikend zijn om alle aanvragen van de instellingen met voorrang toe te wijzen, worden de desbetreffende aanvragen door middel van loting gerangschikt.
3. Indien de toekenning van subsidie voor ten minste 90% van het aantal studenten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, een overschrijding van het desbetreffende subsidieplafond zou voorkomen, laat de minister de loting, bedoeld in het tweede lid, achterwege. In dat geval wordt binnen de grenzen van het desbetreffende subsidieplafond voor ten minste 90% van het aantal studenten waarvoor subsidie is aangevraagd de subsidie toegekend, met dien verstande dat de maximumbedragen per instelling, bedoeld in artikel 7, onverkort in acht worden genomen.
4. Indien na toepassing van het eerste lid binnen het desbetreffende subsidieplafond nog middelen resteren, worden de aanvragen voor de overige instellingen door middel van loting gerangschikt.
5. Indien de toekenning van subsidie voor ten minste 90% van het aantal studenten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, een overschrijding van het desbetreffende subsidieplafond zou voorkomen, laat de minister de loting, bedoeld in het vierde lid, achterwege. In dat geval wordt binnen de grenzen van het desbetreffende subsidieplafond voor ten minste 90% van het aantal studenten waarvoor subsidie is aangevraagd de subsidie toegekend, met dien verstande dat de maximumbedragen per instelling, bedoeld in artikel 7, onverkort in acht worden genomen.
6. Indien sprake is van een derde aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, en artikel 5, vierde lid, of een tweede aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder b, en artikel 5a, tweede lid, worden de aanvragen op volgorde van binnenkomst gerangschikt.