BWBR0043564
Geldig vanaf 2021-04-13
Artikel 3
Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021
1. De minister verstrekt subsidie aan een bevoegd gezag dat in 2020 en 2021 een inhaal- en ondersteuningsprogramma organiseert voor:
a. leerlingen in een kwetsbare positie met een onderwijsachterstand of een vergroot risico op leer- en ontwikkelachterstanden, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van scholen als gevolg van de uitbraak van COVID-19;
b. studenten in een kwetsbare positie met studievertraging of een vergroot risico op studievertraging, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs als gevolg van de uitbraak van COVID-19;
c. studenten met studievertraging in de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 7.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs als gevolg van de uitbraak van COVID-19;
d. vavo-studenten met studievertraging, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van instellingen als gevolg van de uitbraak van COVID-19, aan een uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs;
e. deelnemers aan een opleiding overige educatie met studievertraging, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van instellingen als bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs als gevolg van de uitbraak van COVID-19; of
f. alle leerlingen, studenten, vavo-studenten en deelnemers op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die onderwijs volgen aan een school of instelling.
2. De minister verstrekt subsidie met als doel dat de leerlingen, studenten, vavo-studenten of deelnemers die het inhaal- en ondersteuningsprogramma volgen, een reëel perspectief hebben op het wegwerken dan wel inhalen van de opgelopen onderwijsachterstanden, leer- en ontwikkelachterstanden dan wel studievertraging.
3. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
a. activiteiten die reeds worden bekostigd uit de rijksbijdrage;
b. activiteiten waarvoor de minister reeds op grond van een andere regeling subsidie heeft verstrekt;
c. activiteiten tijdens het reguliere onderwijsprogramma; of
d. kosten voor de aanschaf van elektronische apparaten, niet zijnde afschrijvingskosten als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Kaderregeling.
a. leerlingen in een kwetsbare positie met een onderwijsachterstand of een vergroot risico op leer- en ontwikkelachterstanden, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van scholen als gevolg van de uitbraak van COVID-19;
b. studenten in een kwetsbare positie met studievertraging of een vergroot risico op studievertraging, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs als gevolg van de uitbraak van COVID-19;
c. studenten met studievertraging in de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 7.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs als gevolg van de uitbraak van COVID-19;
d. vavo-studenten met studievertraging, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van instellingen als gevolg van de uitbraak van COVID-19, aan een uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs;
e. deelnemers aan een opleiding overige educatie met studievertraging, veroorzaakt door de gehele of gedeeltelijke sluiting van instellingen als bedoeld in artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs als gevolg van de uitbraak van COVID-19; of
f. alle leerlingen, studenten, vavo-studenten en deelnemers op Bonaire, Sint Eustatius of Saba die onderwijs volgen aan een school of instelling.
2. De minister verstrekt subsidie met als doel dat de leerlingen, studenten, vavo-studenten of deelnemers die het inhaal- en ondersteuningsprogramma volgen, een reëel perspectief hebben op het wegwerken dan wel inhalen van de opgelopen onderwijsachterstanden, leer- en ontwikkelachterstanden dan wel studievertraging.
3. Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
a. activiteiten die reeds worden bekostigd uit de rijksbijdrage;
b. activiteiten waarvoor de minister reeds op grond van een andere regeling subsidie heeft verstrekt;
c. activiteiten tijdens het reguliere onderwijsprogramma; of
d. kosten voor de aanschaf van elektronische apparaten, niet zijnde afschrijvingskosten als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van de Kaderregeling.