BWBR0043564
Geldig vanaf 2021-04-13
Artikel 15
Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021
1. In afwijking van artikel 13wordt een subsidie aan een instelling als bedoeld in 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijsof artikel 1.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, die een opleiding overige educatie verzorgt, verleend op uiterlijk:
a. 3 juli 2020, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a;
b. 16 oktober 2020, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b;
c. 1 december 2020, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c;
d. 14 juni 2021, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a; of
e. 26 juli 2021, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder b.
2. De minister verleent een voorschot van 100% en betaalt het subsidiebedrag in een keer.
3. Voor een subsidie tot € 25.000,– is artikel 7.4 van de Kaderregelingvan toepassing. Artikel 13, vierde, zesde en zevende lidzijn van overeenkomstige toepassing.
4. Voor een subsidie van € 25.000,– tot € 125.000,– is artikel 7.6 van de Kaderregelingvan toepassing. Artikel 13, vierde, zesde en zevende lidzijn van overeenkomstige toepassing.
5. Voor een subsidie vanaf € 125.000,– is artikel 7.8, met uitzondering van het derde lid, van de Kaderregelingvan toepassing.
6. Een subsidie als bedoeld in het vijfde lid wordt lager vastgesteld voor zover:
a. de totale kosten lager zijn dan het verleende subsidiebedrag van € 900,– per deelnemer;
b. de subsidie niet is besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend; of
c. minder dan 85% van het aantal deelnemers waarvoor subsidie is verstrekt het inhaal- en ondersteuningsprogramma heeft afgerond.
7. De ontvanger van een subsidie als bedoeld in het vijfde lid maakt er bij de minister melding van indien het aantal deelnemers dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma heeft afgerond, minder is dan 85% van het aantal deelnemers waarvoor subsidie is verstrekt.
a. 3 juli 2020, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a;
b. 16 oktober 2020, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b;
c. 1 december 2020, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c;
d. 14 juni 2021, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder a; of
e. 26 juli 2021, indien het gaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder b.
2. De minister verleent een voorschot van 100% en betaalt het subsidiebedrag in een keer.
3. Voor een subsidie tot € 25.000,– is artikel 7.4 van de Kaderregelingvan toepassing. Artikel 13, vierde, zesde en zevende lidzijn van overeenkomstige toepassing.
4. Voor een subsidie van € 25.000,– tot € 125.000,– is artikel 7.6 van de Kaderregelingvan toepassing. Artikel 13, vierde, zesde en zevende lidzijn van overeenkomstige toepassing.
5. Voor een subsidie vanaf € 125.000,– is artikel 7.8, met uitzondering van het derde lid, van de Kaderregelingvan toepassing.
6. Een subsidie als bedoeld in het vijfde lid wordt lager vastgesteld voor zover:
a. de totale kosten lager zijn dan het verleende subsidiebedrag van € 900,– per deelnemer;
b. de subsidie niet is besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend; of
c. minder dan 85% van het aantal deelnemers waarvoor subsidie is verstrekt het inhaal- en ondersteuningsprogramma heeft afgerond.
7. De ontvanger van een subsidie als bedoeld in het vijfde lid maakt er bij de minister melding van indien het aantal deelnemers dat het inhaal- en ondersteuningsprogramma heeft afgerond, minder is dan 85% van het aantal deelnemers waarvoor subsidie is verstrekt.