BWBR0043564
Geldig vanaf 2021-04-13
Artikel 5
Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021
1. Voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling zijn voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, in 2020 ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
a. voor uit ’s Rijks kas bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs BES: € 51.000.000,–;
b. voor uit ’s Rijks kas bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs binnen een aoc, het voortgezet onderwijs aan Scholengemeenschap Bonaire en het CXC-onderwijs aan de Saba Comprehensive School en Gwendoline van Putten School: 43.204.500,00;
c. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Scholengemeenschap Bonaire, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen verzorgen: € 64.050.000,–;
d. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen: € 1.075.000,–;
e. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.4.a1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 1.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, die een opleiding overige educatie verzorgen: 1.367.100,00.
2. Voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling zijn voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, in 2020 ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
a. voor uit ’s Rijks kas bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs BES: € 88.099.200,–;
b. voor uit ’s Rijks kas bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs binnen een aoc, het voortgezet onderwijs aan Scholengemeenschap Bonaire en het CXC-onderwijs aan de Saba Comprehensive School en Gwendoline van Putten School: € 50.953.500,–;
c. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Scholengemeenschap Bonaire, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen verzorgen: € 41.853.600,–;
d. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen: € 1.075.000,–;
e. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.4.a1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 1.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, die een opleiding overige educatie verzorgen: € 1.814.400,–.
3. Indien één van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig wordt benut, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het beschikbare bedrag voor de desbetreffende sector of onderwijssoort, bedoeld in het tweede lid.
4. Indien één of meer van de bedragen, bedoeld in het tweede lid, al dan niet vermeerderd met een bedrag als bedoeld in het derde lid, niet volledig wordt benut, is het resterende bedrag voor de desbetreffende sector of onderwijssoort beschikbaar voor subsidieverstrekking voor het derde aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c.
5. Na toepassing van het derde en vierde lid is voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen € 323.000,– beschikbaar.
6. Indien een subsidieaanvraag op meerdere sectoren of onderwijssoorten betrekking heeft, zijn meerdere subsidieplafonds van toepassing.
a. voor uit ’s Rijks kas bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs BES: € 51.000.000,–;
b. voor uit ’s Rijks kas bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs binnen een aoc, het voortgezet onderwijs aan Scholengemeenschap Bonaire en het CXC-onderwijs aan de Saba Comprehensive School en Gwendoline van Putten School: 43.204.500,00;
c. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Scholengemeenschap Bonaire, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen verzorgen: € 64.050.000,–;
d. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen: € 1.075.000,–;
e. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.4.a1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 1.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, die een opleiding overige educatie verzorgen: 1.367.100,00.
2. Voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling zijn voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, in 2020 ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
a. voor uit ’s Rijks kas bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra en artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs BES: € 88.099.200,–;
b. voor uit ’s Rijks kas bekostigde scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs binnen een aoc, het voortgezet onderwijs aan Scholengemeenschap Bonaire en het CXC-onderwijs aan de Saba Comprehensive School en Gwendoline van Putten School: € 50.953.500,–;
c. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Scholengemeenschap Bonaire, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen verzorgen: € 41.853.600,–;
d. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen: € 1.075.000,–;
e. voor instellingen als bedoeld in artikel 1.4.a1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 1.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, die een opleiding overige educatie verzorgen: € 1.814.400,–.
3. Indien één van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, niet volledig wordt benut, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het beschikbare bedrag voor de desbetreffende sector of onderwijssoort, bedoeld in het tweede lid.
4. Indien één of meer van de bedragen, bedoeld in het tweede lid, al dan niet vermeerderd met een bedrag als bedoeld in het derde lid, niet volledig wordt benut, is het resterende bedrag voor de desbetreffende sector of onderwijssoort beschikbaar voor subsidieverstrekking voor het derde aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c.
5. Na toepassing van het derde en vierde lid is voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, voor instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover die uit ’s Rijks kas bekostigde opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen € 323.000,– beschikbaar.
6. Indien een subsidieaanvraag op meerdere sectoren of onderwijssoorten betrekking heeft, zijn meerdere subsidieplafonds van toepassing.