BWBR0043555
Geldig vanaf 2020-05-21
Artikel 7
Tijdelijke regeling tegemoetkoming werknemers Westhaven
1. De tegemoetkoming wordt toegekend voor zes opeenvolgende tijdvakken van zes maanden. Het eerste tijdvak vangt aan op de dag volgend op het eindigen van de dienstbetrekking of de herplaatsing. De berekening van de hoogte van de tegemoetkoming op grond van het tweede en derde lid geschiedt bij de aanvang van het tijdvak.
2. De tegemoetkoming voor het eerste tijdvak, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het referentie inkomen, berekend over zes maanden, minus het verwachte toetsingsinkomen gedurende het eerste tijdvak vermeerderd met 1/6 deel van de eenmalige ontslagvergoeding, met dien verstande dat de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan het maximum, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
3. De tegemoetkoming voor de navolgende tijdvakken, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per tijdvak het referentie inkomen, berekend over zes maanden, minus het toetsingsinkomen gedurende het voorafgaande tijdvak vermeerderd met 1/6 deel van de eenmalige ontslagvergoeding, met dien verstande dat de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan het maximum en de vermeerdering, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid.
4. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, negatief is, wordt de tegemoetkoming voor het tijdvak op nihil gesteld.
2. De tegemoetkoming voor het eerste tijdvak, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het referentie inkomen, berekend over zes maanden, minus het verwachte toetsingsinkomen gedurende het eerste tijdvak vermeerderd met 1/6 deel van de eenmalige ontslagvergoeding, met dien verstande dat de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan het maximum, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
3. De tegemoetkoming voor de navolgende tijdvakken, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per tijdvak het referentie inkomen, berekend over zes maanden, minus het toetsingsinkomen gedurende het voorafgaande tijdvak vermeerderd met 1/6 deel van de eenmalige ontslagvergoeding, met dien verstande dat de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan het maximum en de vermeerdering, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid.
4. Indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, negatief is, wordt de tegemoetkoming voor het tijdvak op nihil gesteld.