1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland met gebruikmaking van een daartoe door de Minister beschikbaar gesteld middel.
2. Een aanvraag tot subsidieverlening bevat naast de in
artikel 10 van het Kaderbesluitgenoemde gegevens ten minste:
a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en het post- en bezoekadres;
b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;
c. een mkb-verklaring;
d. een kwalitatieve en kwantitatieve omschrijving van de reductie van CO2-uitstoot en materiaalbesparing die: i. rekening houdt met scope 3 emissies, te weten de CO2-uitstoot in de gehele levenscyclus van een product; en
ii. met de resultaten van het project gerealiseerd kunnen worden ten opzichte van de gangbare praktijk, te weten de in de Nederlandse markt gangbare praktijk per fase van de levenscyclus van het product, waaruit blijkt dat deze resultaten aannemelijk zijn;
i. rekening houdt met scope 3 emissies, te weten de CO2-uitstoot in de gehele levenscyclus van een product; en
ii. met de resultaten van het project gerealiseerd kunnen worden ten opzichte van de gangbare praktijk, te weten de in de Nederlandse markt gangbare praktijk per fase van de levenscyclus van het product, waaruit blijkt dat deze resultaten aannemelijk zijn;
e. een onderbouwing waaruit blijkt hoe de aanvrager het eigen aandeel in de projectkosten financiert; en
f. een onderbouwing van de economische haalbaarheid van de toepassing van de uitkomsten van het project.
3. Indien de aanvraag betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, bevat deze in aanvulling op het tweede lid een verklaring de-minimissteun.
4. Indien het cio-project betrekking heeft op inzameling van afval onderbouwt de aanvrager in aanvulling op het tweede lid aan de hand van een intentieverklaring dat bij het project een verwerker is betrokken die het afval verwerkt.
5. Indien de aanvraag afkomstig is van een samenwerkingsverband, verstrekt de penvoerder in aanvulling op de gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, voor elke deelnemer aan het samenwerkingsverband de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, c, en e, en het derde lid.
6. In afwijking van
artikel 10, vierde lid, onderdeel f, van het Kaderbesluithoeft de aanvraag niet een bewijs te bevatten dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat.