BWBR0043251
Geldig vanaf 2025-01-30
Artikel 2.4
Subsidieregeling Circulaire Economie
1. De kosten van de activiteiten van een ondernemer worden berekend door
het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 60,00 waarin zowel de directe loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen, vermeerderd met:
1°. kosten van het gebruik van apparatuur, van verbruikte materialen en van hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en
2°. aan derden betaalde kosten.
2. Voor de subsidiabele kosten van het gebruik van apparatuur, bedoeld in het eerste lid, onder 1°, geldt als berekeningswijze dat:
a. de restwaarde van voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur geen deel uitmaakt van de subsidiabele kosten; en
b. de afschrijvingskosten lineair worden berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen, met een minimale afschrijvingstermijn van vijf jaar.
3. De subsidiabele kosten van aan derden betaalde kosten, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, zijn de kosten voor zover die niet hoger zijn dan marktconform.
4. De kosten voor kennisdelen over de ketensamenwerking bedragen maximaal 5% van de te verstrekken subsidie.
5. In afwijking van het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:
a. kosten voor marketing- en salesactiviteiten;
b. kosten van opleidingen;
c. kosten van deelname aan tentoonstellingen en symposia;
d. kosten voor marktonderzoek en haalbaarheidsstudies, met uitzondering van beperkte onderzoeken die niet commercieel van aard zijn en waarvan de uitkomsten noodzakelijk zijn voor de in het circulair ketenproject beoogde ontwikkeling;
e. kosten van reguliere bedrijfsactiviteiten;
f. kosten voor algemene kennisoverdracht.
het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een vast uurtarief van € 60,00 waarin zowel de directe loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen, vermeerderd met:
1°. kosten van het gebruik van apparatuur, van verbruikte materialen en van hulpmiddelen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn; en
2°. aan derden betaalde kosten.
2. Voor de subsidiabele kosten van het gebruik van apparatuur, bedoeld in het eerste lid, onder 1°, geldt als berekeningswijze dat:
a. de restwaarde van voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur geen deel uitmaakt van de subsidiabele kosten; en
b. de afschrijvingskosten lineair worden berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen, met een minimale afschrijvingstermijn van vijf jaar.
3. De subsidiabele kosten van aan derden betaalde kosten, bedoeld in het eerste lid, onder 2°, zijn de kosten voor zover die niet hoger zijn dan marktconform.
4. De kosten voor kennisdelen over de ketensamenwerking bedragen maximaal 5% van de te verstrekken subsidie.
5. In afwijking van het eerste lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:
a. kosten voor marketing- en salesactiviteiten;
b. kosten van opleidingen;
c. kosten van deelname aan tentoonstellingen en symposia;
d. kosten voor marktonderzoek en haalbaarheidsstudies, met uitzondering van beperkte onderzoeken die niet commercieel van aard zijn en waarvan de uitkomsten noodzakelijk zijn voor de in het circulair ketenproject beoogde ontwikkeling;
e. kosten van reguliere bedrijfsactiviteiten;
f. kosten voor algemene kennisoverdracht.